Heb ik een echte Wolvecamp
Door Marga Mulder
Hoe merkwaardig het op het eerste gezicht ook lijkt dat een schilderij dat in schoonheid niets heeft ingeboet, op slag kan devalueren als blijkt dat het niet echt van Vermeer, Kandinsky of Appel is, in tweede instantie zal dat voor de meeste mensen niet onlogisch zijn. Kunst zou immers de meest individuele expressie van een persoonlijke emotie moeten zijn en geen technisch trucje. Die romantische kunstopvatting is ook nu nog springlevend. Ook al kan menig vervalser misschien wel haast even knap schilderen als degene die hij nadoet, het blijft imitatie en dat is iets anders als inspiratie. Dat een door de kunstenaar gesigneerd werk meer waard is dan een kunstwerk zonder die handtekening, ook al stond je er naast om te zien dat de kunstenaar het toch echt zelf heeft gemaakt, heeft ook nog enige logica. De enige die kan aangeven dat hij achter zijn kunstwerk staat is de maker zelf. Met zijn handtekening kan hij aangeven dat hij de verantwoordelijkheid voor het resultaat neemt en dat het niet gaat om een probeersel dat misschien volgens hem wel in de prullenbak hoort.
Het wordt al lastiger als de kunstenaar langs de kant staat en een ambachtsman vertelt wat hij moet doen. Een voorbeeld daarvan zijn de glasobjecten van couturier Frans Molenaar. In een documentaire zag ik hoe dat in zijn werk gaat. Molenaar gaat eerst met de glasblazer om de tafel en vertelt wat hij ongeveer in gedachten heeft. De glasblazer geeft dan aan wat technisch mogelijk is, wat hij met het materiaal kan en wat eventueel alternatieven zijn. Juist die inbreng van de ambachtsman, die dus meer doet dan klakkeloos produceren wat de kunstenaar in zijn hoofd heeft, maakt dat ik het uiteindelijke resultaat op naam van Molenaar én de glasblazer zou willen zetten. Bij een andere glasblazer zou het resultaat er beslist anders uit gezien hebben. Dit probleem speelt natuurlijk evenzo bij andere kunstuitingen en andere vormen van assistentie. Beeldhouwers gieten hun bronzen beelden meestal niet zelf, Karel Appel had op latere leeftijd bij zijn lichamelijk zware werk ook een assistent. En wat te denken van het werk dat wel of niet kan worden toegeschreven aan leerlingen van oude meesters. Het was immers vroeger niet ongebruikelijk dat een schilder de ‘makkelijke’ onderdelen van zijn schilderij door leerlingen liet schilderen?
Maar werkelijk lastig vind ik de vraag of het wel een ‘echt Kunstwerk’ is, ook in het geval van een litho, een zeefdruk of een door gebruik van een andere reproductietechniek vervaardigd product. Geen nieuw probleem, want tegelijk met het ontstaan van het zelfbewustzijn van de kunstenaar als individu, de periode waarin voor het eerst kunstenaars hun werk beginnen te signeren, begint ook de opmars van de boekdrukkunst. Zo’n afdruk van een kunstwerk, een van de misschien honderd of soms nog veel meer, is soms door de kunstenaar zelf vervaardigd, maar lang niet altijd. De economische waarde van zo’n kunstwerk is in belangrijke mate afhankelijk van het feit of de kunstenaar er wel of niet zijn handtekening onder heeft gezet. Het is merkwaardig dat dit nog wel belangrijker lijkt dan de kwaliteit van de afdruk. Is dit nog wel ‘echte’ Kunst, vraag je je als kunstconsument af. Een vraag die duidelijk de marktwaardegerichtheid van de postmoderne cultuur illustreert. De kunstkoper ziet de authenticiteit van zijn kunstwerk erkend door het feit dat veel gereproduceerde werken uit series gelijke afdrukken te vinden zijn in de gerenommeerde musea. Men kan dat als een legitimatie zien van de opvatting dat het hier om iets anders gaat dan het affiche met de meegekopieerde handtekening.
In de kunstwereld spreekt men van een ‘origineel’ kunstwerk. Dan gaat het om een werk dat door de kunstenaar zelf is gemaakt en waar maar één exemplaar van is, een olieverfschilderij bijvoorbeeld. Hoe origineel het idee voor dat werk dus ook mag zijn, werken gemaakt met gebruik van een techniek waarbij meerdere afdrukken mogelijk zijn, worden (economisch!) minder gewaardeerd.
De filosoof Walter Benjamin heeft hier begin vorige eeuw een essay over geschreven : Het Kunstwerk in het Tijdperk van zijn Technische Reproduceerbaarheid. Zijn gedachten daarover werden vooral ingegeven door de opkomst van splinternieuwe kunstvormen; de fotografie en de film. Hij spreekt over een ‘auraverlies’ van het kunstwerk, maar hij waardeert dat zeker niet negatief. Door de toenemende mogelijkheden om op grote schaal kunstwerken te reproduceren wordt tegelijk de kunst gedemocratiseerd en het gaat toch om het genieten van- en opgaan in de kunst. Hij zal het waarschijnlijk toegejuicht hebben dat door die technieken in de jaren vijftig en zestig de kunstaffiches oprukten en elk Nederlands gezin boven de bank een affiche van een Vermeer of Van Gogh kon ophangen. Maar tegelijk is ook het kunstwerk als beleggingsobject opgekomen en worden er voor originele werken van gerenommeerde kunstenaars exorbitante bedragen betaald. Ook voor een zeefdruk, een van de zoveel, van iemand van naam betaal je al een behoorlijk bedrag.
Enige jaren geleden heb ik een litho aangeschaft van Theo Wolvecamp. Het kostte me een rib uit m’n lijf, maar nog dagelijks geniet ik ervan. Maar zoveel meer als van een affiche van een paar tientjes? Onlangs zag ik ergens ‘hetzelfde’ werk hangen. Dat werk was nummer 87/100, terwijl op mijn exemplaar staat h.c 11/XX. Wat had dat te betekenen? Het blijkt dat er ook nog een hiërarchie bestaat bij afdrukken. Er zijn eerst twintig afdrukken gemaakt van een origineel werk dat stamt uit 1953. Die afdrukken zijn gemaakt in 1988 ter gelegenheid van het feit dat veertig jaar geleden (november 1948) de kunstbeweging COBRA werd opgericht. Wolvecamp maakte deel uit van die beweging. Wolvecamp signeerde deze twintig nadat hij ze goed genoeg bevonden had met Wolvecamp ‘53/’88. De andere honderd exemplaren zijn heel anders ontstaan. Wolvecamp heeft honderd vellen papier gesigneerd; lege vellen papier. Daarop zijn nog eens honderd afdrukken gemaakt die hij zelf hoogstwaarschijnlijk nooit heeft gezien. Deze gang van zaken is beslist niet ongebruikelijk. Theoretisch is het dus mogelijk dat je werk koopt van een kunstenaar die op het moment dat dat werk is ontstaan, allang is overleden. In het geval van Theo Wolvecamp kan dat heel goed want die is niet zo heel lang daarna overleden, maar misschien zouden de kunsthandelaren wel reuze blij zijn als ze wat blaadjes vonden waar Rembrandt zijn handtekening op had zitten oefenen. Die handtekening is op zich natuurlijk al een stuk waardevoller dan die van Robbie Williams, maar een afdruk van een bewaard gebleven etsplaat van Rembrandt erop en je hebt een echte Rembrandt. Of toch niet?
Marga Mulder is docent Nederlands en freelance journalist. Ze is sinds 2005 MA Algemene Cultuurwetenschappen. Momenteel maakt en beheert ze de website van de Stichting Vrienden van het Jongeriuscomplex in Utrecht: www.jongeriuscomplex.nl
Is inderdaad een hors commerce-exemplaar, vaak bedoeld voor artiest zelf en intimi.
Ik heb ook een originele Wolvecamp die niet gesigneerd is met signatuur, maar met stempetje van 'Atelier Wolvecamp'. Waar komt die dan in de hiërarchie?
Ik heb vanaf 1965 tot en met vorig jaar duizenden zeefdrukken gemaakt met honderden verschillende kunstenaars, w.o. Karel Appel, Hermanus Berserik, Kees van Bohemen, Herman Brood, Jan van Dienen, Patty Harpenau, Toon Hermans, Nic Jonk, Wouter Stips, Co Westerik (vorig jaar nog 2 series gemaakt).
Ik moest jammer genoeg stoppen vanwege mijn gezondheid.
Mijn visie stond in het volgende verhaal achterop mijn folder:
Zeefdrukgrafiek:
Zeefdruk noemt men ook wel vlakdruk maar voor mij is het een doordruk- techniek, dat wil zeggen dat de inkt op niet afgedekte plaatsen door een strak gespannen gaas wordt gedrukt. Dat gaas is vastgelijmd aan een metalen lijst. De inkt wordt er doorheen geperst met een rakel (een rubberen strip gevat in een metalen of houten handvat). Het is dus een sjabloontechniek. Ik maak prenten in zeefdruk samen met en voor kunstenaars. Een uit de hand gelopen hobby. Ik ben dus een prentenmaker. Men noemt mij meesterdrukker. Een titel die ik uit België heb meegekregen.
Maar wat is nou een meesterdrukker?
Volgens de Winkler Prins is dat iemand die aan een door hem gemaakt voorwerp een meester-of gildenteken mee geeft. Vroeger moest men daar lid van het gilde voor worden. Als dat het enige was dan word ik terecht meesterdrukker genoemd. In iedere door mij gemaakte en goedgekeurde prent wordt met een droogstempel een eigen logo ingedrukt. Verder wordt elke prent door de kunstenaar apart gesigneerd. Dit zegt al iets over de kwaliteit van de prent. In diezelfde Winkler Prins staat ook nog het volgende: “Meester W A (tweede helft 15de eeuw), Brugs(?) goudsmid(?) en graveur, tekende zijn werk met een W en een ateliermerk dat op een A gelijkt. Zijn oeuvre is interessant wegens het onderwerp en heeft artistieke betekenis. Hoewel de meester aan het hof van Karel
de Stoute werkzaam was, is het niet mogelijk gebleken hem te identificeren. Het meest bekend zijn de prenten met de voorstelling van schepen uit Karel de Stoute’s vloot.” Als u nu weet dat mijn naam W.A. (Meester zeefdrukker) van der Vet is en dat ik eigenaar ben van een BV die Atelier Oranje Bomen heet dan denk ik dat er weliswaar een late maar toch een identificatie heeft plaatsgevonden.
Bij het etsen, steendrukken en de houtsnede wordt rechtstreeks op de drukvorm gewerkt. Bij de zeefdruktechniek is dat erg lastig. Men moet n.l. datgene wat men wilt drukken open laten. Vandaar dat er een tussenvorm wordt gebruikt. Dat noemt men de film. Dit zijn transparante vellen van polyester waarop een afbeelding is getekend of fotografisch is
aangebracht. Het gaas van de zeef wordt ingesmeerd met een lichtgevoelige emulsie, de film wordt erop gelegd en het geheel wordt met een ultraviolette lamp belicht. Het gedeelte op de film waar het licht niet doorheen kan komen (dus bijvoorbeeld zwarte lijnen) blijft zacht en wordt vervolgens met water uitgespoeld. De afbeelding op de film is dus overgezet op de zeef en de lijnen en de vlakken van de tekening zijn open zodat daar de inkt doorheen gedrukt kan worden. Simpel nietwaar. Het is dus mogelijk om een nauwgezette kopie van een schilderij, gouache of bijvoorbeeld een pastel via de zeefdruktechniek te maken. U begrijpt natuurlijk dat dit niet de bedoeling van grafische kunst kan zijn, want een zeefdruk is geen olieverf of aquarel. Een zeefdruk is een zeefdruk. En in de grafisch kunst gaat het erom om met de mogelijkheden van de techniek beeldende kunst te maken. En dat is nou precies wat ik probeer. Geen “net alsof” maar een broertje of zusje van! Een zeefdruk maken van bijvoorbeeld een olieverf schilderij. Zonder rasters en ook zonder het zogenaamde rasterloze procédé wat (gicleeprenten) tegenwoordig steeds meer opgang vindt. Momenteel zijn er zelfs printers die via de computer een compleet schilderij kunnen reproduceren. Niet alleen in de juiste kleuren maar zelfs de dikte van de verf wordt er exact uitgepoept. Dat is niet bepaald iets waar ik vrolijk van wordt. Nog even en iedereen heeft een van Gogh aan de muur die niet van echt te onder- scheiden is. Is dat dan grafiek? Nee dames en heren, dat is niet eens een poster, dat is pure kitsch.
Andere voorbeelden:
Een litho is een steendruk waarbij elke kleur apart op de steen wordt getekend. Een fotolitho is offset, een gerasterde foto van een kunstwerk die in 4-6 drukgangen machinaal wordt gedrukt. Dit heeft niets met kunst te maken dit is gewoon een poster. Datzelfde geld voor gicleeprenten of de zogenaamde kunstdrukken (regelmatig kom ik deze afbeeldingen tegen die soms zelfs de betiteling zeefdruk hebben gekregen. Dat is in mijn ogen pure volksverlakkerij). Dit zijn gescande afbeeldingen die uit de kleurenprinter komen rollen. Dus ook dit zijn gewoon posters, waar u in principe veel te veel voor moet betalen.
Een ander verschijnsel is “zeef-of kunstdruk op paneel”. Voorbedrukte vellen papier die op een houten paneel worden geplakt. Een zeefdruk op paneel behoort natuurlijk rechtstreeks op het hout te worden gedrukt. En dat kan ook, ik heb dat o.a. gedaan voor de schilderskist van Karel Appel.
Zo zijn er meer zaken die niet kloppen. Prenten die tot over de geschepte papierrand zijn gedrukt. Deze worden op grotere vellen gedrukt en langs een liniaal in het beeld afgescheurd. In zeefdruk is het namelijk een heel karwei om aflopend te drukken. Maar het kan wel, zie o.a. de prenten die ik maakte met de Belgische kunstenaar Walter Brems.
Zo ziet u er zijn heel wat manieren om u voor de gek te houden, het ziet er namelijk mooi uit, scherpe afdrukken, geschept papier, genummerd, gesigneerd door de kunstenaar en een stevige prijs. Net echt. Sprekend het schilderij.
Noem het gewoon bij de juiste naam, kunstdrukken, giclee-prenten met bijvoorbeeld gescheurde randen.
Maar mag men dan wel een grafische prent van een schilderij vervaardigen? Jawel, dat mag! Mits het zonder rasters en met gebruikmaking van de specifieke eigenschappen van een druktechniek gebeurt. Wanneer twee drukkers in de kunst dezelfde afbeelding onderhanden nemen dan moeten beide prenten verschillend worden. En kunnen er beiden heel mooi zijn. Zelfs wanneer de ene drukker er 15 en de andere er 25 drukgangen voor nodig heeft. Wanneer echter de twee prenten hetzelfde zouden worden dan zijn ze gereproduceerd op een fotografische manier. Net echt, dus niet goed. Ik ben er dan ook van overtuigd dat de prenten die ik 10 jaar geleden maakte er nu anders uit zouden gaan zien. Ik kijk anders en de kunstenaar
kijkt anders. Schilderen via de zeef, denken vanuit de prent en niet vanuit het schilderij. Die vrijheid maakt van mij een gelukkig mens, veruit de meeste kunstenaars met wie ik werk begrijpen dat ook. Ze denken mee over datgene wat er op het papier ontstaat.
Conclusie: Een goedgemaakte grafische prent in welke druktechniek dan ook, kan nooit, nooit een kopie van iets zijn. Want er is geen origineel, er is alleen een voorbeeld of een idee wat naar een bepaalde druktechniek vertaald moet worden. Er zijn dus 50 of 100 of voor mijn part 500 originelen.
H.C. betekent ‘hors commerce’. De eerste twintig exemplaren waren aanvankelijk niet voor de verkoop bestemd, maar (waarschijnlijk) voor de kunstenaar en zijn relaties, eventuele opdrachtgever, etc. Dergelijke exemplaren kunnen later wel in de verkoop terecht komen. Blijkbaar is dat gebeurd bij het exemplaar van Marga. Een en ander maakt dit exemplaar extra bijzonder.
Ik heb geprobeerd in mijn artikel aan te geven wat het verschil is tussen mijn ‘H.C.’exemplaar en een exemplaar van de andere 100.Er zijn dus XX (twintig) van die afdrukken. Mijn exemplaar is meer waard, letterlijk en figuurlijk, omdat Wolvecamp de afdruk heeft bekeken en goed heeft bevonden. Dat is bij een ‘gewone’ afdruk maar de vraag. Kunstenaars signeren soms ook lege vellen waar de afdruk later op komt.
Marga
Leuk item. Oké er is een hiërarchie bij afdrukken, maar ik ben toch benieuwd wat h.c 11/XX betekend. Waar zitten deze in de hiërarchie?

