Armeense Khash’gars overleven een Almelo’s klooster

Door Maria Wiegman-Morselt

Op 11 juni jl. bevond ik mij in het Armeense klooster Khor Virap. Daar zag ik een reliëf op de gevel van de kerk waarop te zien is hoe koning Trdat III languit op de grond ligt voor Grigor de Verlichter. Volgens de legende werd de geesteszieke koning door Grigor genezen. Vervolgens bekeerde de koning zich tot het christendom, waarna ook zijn volk door de doop het christendom aannam. Deze gebeurtenis uit 301 wordt gezien als het begin van het christendom als officiële godsdienst in Armenië.

Pas later realiseerde ik me dat het op de dag van mijn bezoek precies 600 jaar geleden was dat in Almelo het Catharinaklooster gesticht werd. Achteraf gezien voor mij persoonlijk een speciale datum, omdat dit Almelose klooster het onderwerp was van mijn afstudeeropdracht in 2005. Op 11 juni 1407 werd namelijk een acte gepasseerd die het begin markeert van het Catharinaklooster. Op deze datum verklaarde Johannes Hilbing, pastoor van Almelo, dat hij:

mit rade en mit consente mijne Jonfrouwen van Almelo Jonfrou Beatrix ende mijne Jonckheren van Almelo Jonker Egberts ende Elizabeth van Voerst sijn echten wives voer mij ende voer cuerijte na mij comende van weghe der kerken van Almelo erflic en eweht verpacht heb brueder Jan van Ommen ene were mit gaerde en mit dijke die daer uit gaet an poulingbrugghe daer van oldes die wedeme van Almelo op plach te staen ende noch inder wedeme hoert mit water mit weijden mit torve en mit twighe als sij geleghe is bij Almelo tusschen den essche ende des stades haghen tot behoef eene vergaderinghe daer op te make van vrouwen psonen voer enen olden francrijckschen schilt des jaers of ghelijc payment to betalen jaerlix to midwinter den kerchere van almelo.

Beatrix, Egbert en Elizabeth verklaren vervolgens:

dat wij die vrouwen psonen die daer op wonen solen gode te dienen als voers is gevrijet hebben en vrijen en quijt holde solen van allen dienst schattinghe volghinghe voer gherichte ghebot en van allen onraet die wij of onse erfghenamen van rechte of van ghewoen ten an hem hebbe

.

Ofwel dat pastoor Hilbing, namens de kerk van Almelo, met toestemming van de vrouwe van Almelo en haar zoon en diens vrouw, in erfpacht heeft gegeven aan broeder Jan van Ommen (woordvoerder van de zusters), de weer (akker) en gaarde (tuin, hof) met de dijk (poel, vijver) bij de Poulingbrug, waar van oudsher de pastorie van Almelo stond en welke grond nog aan de pastorie toebehoort, gelegen bij Almelo tussen de Es en de Stadshagen, om daarop een vergadering van vrouwen (vrouwenconvent) te stichten, voor een oude Franse schild per jaar, te betalen aan de pastoor. Beatrix, Egbert en Elizabeth betuigen hun instemming met het voorgaande en verklaren dat zij het klooster vrij zullen houden van alle diensten, belasting, wereldlijke rechtsvervolging en verdere lasten.Historisch Centrum Overijssel (HCO) 214, archief Huis Almelo, inv. nr. 3448

conventszegel van het Catharinaklooster te Almelo

Deze acte wordt beschouwd als de eerste vermelding van het Catharinaklooster dat van het begin van de vijftiende eeuw tot rond 1665 aan de rand van het stadje Almelo stond. Het was gewijd aan Catharina van Alexandrië; met wiel en zwaard als haar attributen staat ze afgebeeld op het conventszegel. Zeer waarschijnlijk stond het klooster in de beginjaren onder invloed van de Moderne Devotie, een godsdienstige herleving die in de veertiende eeuw in de IJsselvallei begonnen was. De woordvoerder namens de zusters, Johannes van Ommen, was immers een volgeling van Geert Grote, de stichter van deze beweging. Niet lang na de stichting gingen de zusters over tot de derde orde van Sint Franciscus. Dit was een lekenorde met strenge regels, hierdoor verschilde hun leefwijze weinig met die van een kloosterorde. In een acte uit 1409 worden de zusters aangeduid als zusters van de orde der Penitentie, hetgeen is afgeleid van de volledige benaming van de orde: Tercie Regule sancti Francisci de ordine penitentium. Volgens dit document kregen de zusters toestemming tot het bezit van een eigen kapel met altaar en een kerkhof en ze mochten een eigen biechtvader kiezen.

Het klooster groeide blijkbaar voorspoedig zodat de bisschop van Utrecht in 1440 toestemming gaf de kapel af te breken en groter op te bouwen. Bovendien werd door schenkingen en aankoop van grond de bezittingen uitgebreid. Zo schonken families van intredende zusters hun erfdeel aan het klooster in de vorm van land, jaarrentes of geld. Een enkele keer zijn er bronnen over het aantal zusters: meestal een dertigtal. Uit hun namen blijkt dat enkelen afkomstig waren uit Twentse adellijke families. Onder invloed van de Reformatie werden vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw overal in de Republiek kloosters gesloten en kloostergoederen geconfisqueerd. Dit was ook in Overijssel het geval. In 1602 benoemden de Staten van Overijssel een rentmeester voor de kloosters Albergen en Sibculo; het beheer over de bezittingen van het Catharinaklooster kwam ook onder zijn toezicht te staan. Pas in 1647 bemoeiden zij zich opnieuw met het rentmeesterschap. Inmiddels was de classis van Deventer in 1601 begonnen met de reformatie van Twente. Zij hadden veel kritiek op het klooster: tegen hun zin bleef de pater preken en werden nieuwe zusters aangenomen. Tijdens spanningen tussen Twentse protestanten en katholieken, eind jaren twintig van de zeventiende eeuw, werd de pater van het klooster gevangen genomen. Hij kwam pas vrij nadat losgeld betaald was en een regeling getroffen was om de religieuze verhoudingen in Twente vast te leggen. Dit Interim hield slechts enkele jaren stand en vervolgens werden de regels tegen het klooster aangescherpt. De nieuwe pater, die tijdens het Interim vol enthousiasme diensten in het klooster verzorgde voor katholieken uit de omgeving, moest nu verdwijnen. Er mochten geen nieuwe zusters worden aangenomen en de aanwezige zusters moesten vrij zijn om uit het klooster te vertrekken; zo kwam de opheffing van het klooster naderbij. De heer van Almelo protesteerde tegen de confiscatie van de goederen door de Ridderschap en verdedigde zijn historische rechten op het klooster. In 1664 volgde eindelijk een akkoord tussen Ridderschap en Heer van Almelo over de verdeling van kloostergoederen. De zusters kregen een bedrag uitbetaald en moesten vertrekken naar de Glaan, een buurtschap vlak over de grens in Duitsland. Hier stichtten zij een nieuw klooster onder de naam “Maria Vlucht”. Als gevolg van de Franse Revolutie werd rond 1811 ook dit klooster opgeheven.

Een inventarisatie uit 1664 noemt 25 gebouwen op het Almelose kloosterterrein, waaronder een kerk, een tweeverdiepingen hoog slaapgebouw, een refter, een boerderij met bijgebouwen en gebouwtjes voor textielnijverheid.HCO 214, inv. nr. 2206 Nadat alle zusters vertrokken waren zijn deze kloostergebouwen afgebroken en is het materiaal opnieuw gebruikt, onder andere voor een nieuw armenhuis waarin vier families konden wonen. De omtrek van het kloosterterrein is tot in de twintigste eeuw nog lang zichtbaar gebleven in het stratenpatroon. In Almelo anno 2007 verwijzen slechts namen als “Kloosterhofflat” en “Catharinahof” naar het vroegere bestaan van dit klooster.

Terug naar Armenië, waar ik mij bevond op de dag dat ik het 600 jarige bestaan van het Catharinaklooster had moeten herdenken, maar wat mij toen is ontgaan. Armenië is het land waar in 301 als eerste het christendom als staatsgodsdienst werd aangenomen.Deze en volgende informatie over Armenië: J.J.S. Weitenberg e.a., Armenië, middeleeuwse miniaturen uit het christelijke Oosten (Zwolle 2001) pp.15-18, pp.26-28, pp.48-53. De hiervoor genoemde Grigor was als christen opgevoed in Cappadocië. Eenmaal in Armenië aan het hof van koning Trdat III weigerde hij een Armeense godin te vereren en werd daarom in de kerker van Khor Virap geworpen. De koning kreeg zodanige wroeging van zijn wrede vervolgingen van christenen, dat hij waanzinnig werd. In visioenen die zijn zuster kreeg, zou alleen Grigor de koning kunnen genezen. De genezen koning bekeerde zich tot het christendom, hij liet zich dopen en zijn volk volgde hem. Grigor werd de Verlichter genoemd omdat hij de Armeniërs met de doop verlichtte. Velen waren echter al met het christendom bekend want volgens de traditie werd het geloof gepreekt door de apostelen Thaddeus en Bartholomeus. De Armeense kerk wordt daarom “apostolisch” genoemd. In de vijfde eeuw weigerde de Armeense kerk de besluiten van het concilie van Chalcedon omtrent de natuur van Christus te aanvaarden. Dit leidde in 551 tot de vorming van een zelfstandige, monophysitische Armeense kerk. Als autonome kerk is deze nooit afhankelijk geweest van grote christelijke kerkgenootschappen als de Byzantijnse orthodoxe of de katholieke kerk van Rome. De katholikos is het hoofd van de kerk van alle Armeniërs, hij zetelt in Etchmiadzin. Etchmiadzin betekent “daalde neer de enig-geborene”, het is de plaats die Christus, de enig-geborene, aan Grigor aanwees om een kerk te bouwen.

De Armeense taal was tot het einde van de vierde eeuw alleen mondeling overgeleverd. Als schrijftaal werd Syrisch of Grieks gebruikt. Om de overgang naar het nieuwe christendom beter te laten verlopen ontstond de behoefte om te schrijven in de spreektaal. Aan begin van de vijfde eeuw werd aan de monnik Mesrop Mashtots gevraagd een eigen alfabet te ontwerpen. Een grote vertaalactiviteit volgde: de bijbel en geschriften van kerkvaders werden in het Armeens vertaald en er werden theologische en historische werken in het Armeens geschreven. Kloosters werden centra van onderwijs en studie en in scriptoria vervaardigden monniken eeuwenlang de prachtigste manuscripten. Enkelen daarvan waren in 2001 in het Utrechtse Catharijneconvent te bewonderen, ze zijn destijds uitgeleend door de nationale schatkamer, het Matenadaran in Yerevan.

Naast de verluchte handschriften maken kerken en kloosters in Armenië diepe indruk. Soms goed bewaard of gerestaureerd, soms als ruïne, liggen ze verspreid in de bergen en op heuvels in het Armeense landschap. De bouwwerken zijn meestal van lokale tufsteen en zijn daardoor harmonieus in de omgeving opgenomen. Ze zijn dubbelwandig met in spouwmuur een vullaag die, mits juiste vulling en stapeling, aardbevingbestendig is. De karakteristieke vorm is de kruiskoepelkerk. De koepel kan steunen op vier vrijstaande zuilen, maar de druk ervan kan ook via de kruisribconstructie afgeleid worden naar de muren, hetgeen een zeer ruimtelijk effect geeft. Vanaf de tiende eeuw kon men door verbetering van technieken tot grotere koepeldoorsneden komen. Zo ontstond de typische vorm van kleine kerken met grote en hoge tentdaktorens. Op dezelfde bouwwijze van de eeuwenoude kleine kerkjes is de grote kathedraal van Yerevan gebouwd, die in 2001 is ingewijd. Over het algemeen zijn de kerken spaarzaam gedecoreerd maar enkele kerken zijn aan de buitenzijde voorzien van timpanen met prachtige reliëfs. In contrast met de vele sobere kerken zijn khach’kars of kruisstenen wel rijkelijk van reliëfs voorzien.

khach’gars in de hof van het klooster Noravank, Armenië

Deze rechtop staande stenen met reliëfkruisen vormen een eigen genre in de Armeense religieuze kunst. Het kunnen zowel grafstenen als herdenkingsstenen zijn. Ornamentele banden rondom de kruizen, druivenranken en vogels zijn veel gebruikte motieven. Soms zijn de stenen bovendien aan de boven- en onderzijde voorzien van inscripties en van bijbelse scènes. Deze stenen zijn in heel Armenië te vinden. Meestal staan ze apart of in groepen bij elkaar vóór of in kerken, maar bij het Sevanmeer is ook een veld met wel honderden stenen. Ook nu nog worden khach’kars gemaakt, meestal in de stijl die in de dertiende eeuw gebruikelijk was. Ze staan als grafstenen bij kerken of op begraafplaatsen. Niet alleen in Armenië maar ook daarbuiten, zoals ik kortgeleden ontdekte op de rooms-katholieke begraafplaats in Almelo. In deze stad woont een grote Armeense gemeenschap, afkomstig uit Oost Turkije, Irak, Syrië en Armenië. Sinds 2003 staat er een nieuwe Armeense kerk, een kruiskoepelkerk, genoemd naar Grigor de Verlichter.Informatie over de Armeense kerkgemeenschap in Almelo: www.armeensekerk.nl

Zoals de zusters van het Catharinaklooster in de zeventiende eeuw gedwongen werden om naar Duitsland te vertrekken en daar een nieuw klooster te stichten, zo zijn Armeniërs in onze tijd naar Nederland gekomen om in Almelo een nieuw bestaan op te bouwen. Eerst als textielarbeiders, later als vluchtelingen. Van het Catharinaklooster zijn in Almelo geen sporen meer te vinden. Archiefstukken zijn verspreid over diverse archieven elders. Een luidklok uit 1452 bevindt zich in het klokkenmuseum in Heiligerlee, terwijl beelden die waarschijnlijk ook uit de kloosterkerk afkomstig zijn, te bewonderen zijn in de Maria Geboortekerk in Losser en de Sint Jozefkerk in Zeist. De Armeense cultuur leeft echter voort in de Almelose diaspora, één van de bewijzen hiervan is de khach’kar die uit Armenië naar Almelo gebracht is om een grafmonument te sieren.

Bookmark and Share

Maria Wiegman-Morselt is MA Algemene Cultuurwetenschappen. Het onderwerp van haar afstudeeropdracht was: Het Catharinaklooster te Almelo (ook haar woonplaats) in het tweede kwart van de zeventiende eeuw.

  

Er zijn nog geen reacties

Hier graag uw bericht




?
? ?
?

Powered by TalkBack