Beroep:(t)huisvrouw, echtgenote en moeder
Door Gerda Godrie-van Gils
Vanaf het ontstaan van de eerste kookscholen in de negentiende eeuw tot de Mammoetwet in 1968, heeft het huishoudonderwijs zich gericht op de huishoudelijke en vrouwelijke vorming van jonge meisjes. Ofschoon het vak ‘vrouwelijke vorming’ niet expliciet op het rooster stond vermeld, domineerde dit impliciet wel in alle vormen van het huishoudonderwijs.
In dit artikel wordt het rooms-katholieke huishoudonderwijs in de periode 1919-1968 belicht, gebaseerd op onderzoek in de Brabantse steden Breda, Eindhoven en Tilburg. Deze steden kunnen illustratief genoemd worden voor de manier waarop het concept van vrouwelijke vorming op de meeste katholieke huishoudscholen in Nederland gestalte kreeg.Dit artikel is gebaseerd op nog ongepubliceerd onderzoek.
Historische terugblik
De visie dat huishoudelijke vaardigheden automatisch van moeder op dochter worden overgedragen, maakte rond 1900 plaats voor denkbeelden die leidden tot de oprichting van kook- en huishoudscholen. De Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen, die zich beijverde voor de verspreiding van deugdzaamheid, huiselijkheid en arbeid voor de bevolking, richtte in 1865 de eerste industrieschool voor meisjes op. Deze opleiding betrof aanvankelijk vooral de naaldvakken, bestemd om in huis te worden uitgeoefend.P. de Rooy, ‘Het zwaarste beroep, Succes en falen van het huishoudonderwijs in Nederland, 1875-1940’, in: Sociologisch Tijdschrift, jaargang 12 in Nederland, p.217. Deze scholen waren dus beperkt van opzet en doelstelling, maar brachten wel nieuwe initiatieven voor huishoudonderwijs tot stand. De eerste Nederlandse kookschool opende in 1887 in Den Haag. De lessen betroffen voornamelijk kookkunst, voedingsleer en warenkennis. Een tiental jaren later volgden de huishoudscholen met een breder vakkenpakket. Dit huishoudonderwijs is voor een groot deel het initiatief geweest van vrouwen uit de gegoede burgerij. Pioniersters zoals Johanna Naber en Jeltje Bosch Kemper hebben hiervoor veel werk verzet.J. Naber, Het leven en werken van Jeltje De Bosch Kemper (Haarlem 1918), p.134. Na de eerste huishoudschool in Amsterdam volgden andere grote steden in Nederland.
In de beginperiode was het huishoudonderwijs bestemd voor vrouwen en meisjes uit de gegoede burgerij. De kennis van huishoudelijke vaardigheden was belangrijk voor henzelf en voor hun dienstbode. Vervolgens kwam er apart huishoudonderwijs voor dienstboden, volksmeisjes, weesmeisjes, arbeidersvrouwen, verpleegsters, huisnaaisters en fabrieksmeisjes.L. Dasberg en J. Jansing, Meer kennis meer kans. Het Nederlandse onderwijs 1843-1914 (Bussum 1978), p.71. Omdat de meeste meisjes zodra ze de leerplicht hadden vervuld thuis of elders aan het werk moesten, was de huishoudschool voor de arbeidersklasse al een luxe. Immers, meisjes trouwden toch en een opleiding was weggegooid geld. Bovendien hadden de meeste ouders de inkomsten van hun dochters hard nodig om in hun levenonderhoud te kunnen voorzien of als ondersteuning in het grote gezin. Pas na de Tweede Wereldoorlog vond er langzaam een verandering plaats en kregen steeds meer meisjes de kans om een opleiding te volgen.
In de doelstelling van zowel het openbare als het confessionele huishoudonderwijs stond de ontwikkeling van vrouwelijke vorming centraal; dat betekende dat de specifiek vrouwelijke eigenschappen zoals moederschap, dienstbaarheid, zorg, gehoorzaamheid, zichzelf wegcijferen, en betrokkenheid op anderen ruim aan bod kwamen in de theorie- en praktijklessen. Daarnaast was dit type onderwijs aanvankelijk sekse- en klassenspecifiek gericht.

Stimulerende factoren
Een aantal factoren stimuleerde de oprichting van nieuwe huishoudscholen. Eén daarvan was de industrialisatie in het begin van de twintigste eeuw. De sociaaleconomische situatie in Nederland was toentertijd bepaald zorgelijk te noemen. Dat gold zeker voor Noord-Brabant, waar de opbrengst van de schrale zandgronden gering was en de overwegend agrarische bevolking nauwelijks voldoende bestaansmiddelen bood. De komst van industriële bedrijven was dan ook een welkome aanvulling op de bestaande werkgelegenheid. In het productieproces waren veel laaggeschoolde arbeiders nodig, zowel mannen als vrouwen. Na enige weerstand lieten die zich overhalen om in de fabrieken te gaan werken.
Na een jarenlange schoolstrijd, die in 1917 werd beëindigd met de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs, kwamen ook katholieke scholen in aanmerking voor subsidie, maar dat gold nog niet voor het huishoudonderwijs. Daarom begonnen veel huishoudscholen als industriehuishoudschool. Deze, meestal openbare scholen, waren meer beroepsgericht en kregen daarom wel subsidie. Door de in 1921 ingevoerde Wet op het Nijverheidsonderwijs werd het huishoudonderwijs officieel erkend en verwierf ook het recht op overheidssubsidie.P.Boekholt, Tweehonderd jaar onderwijs en de zorg van de Staat. Jaarboek voor geschiedenis van opvoeding en onderwijs 2002 (Utrecht 2002), p.28. Deze wet leidde tot de oprichting van meer huishoudscholen, meestal op initiatief van de Kerk en met hulp van religieuze congregaties. De eerste scholen werden opgericht in de grote steden, Breda, Eindhoven en Tilburg. Daarna breidde het huishoudonderwijs zich snel uit naar kleinere gemeenten. De congregaties vormden in het begin een belangrijke schakel omdat zij, soms zelfs belangeloos, ruimte en leerkrachten beschikbaar stelden. Bijna alle zustercongregaties vermeldden in hun doelstelling de bevordering van onderwijs aan meisjes.Zie: J. Eijt, Religieuze vrouwen: bruid, moeder, zuster. Geschiedenis van twee Nederlandse zustercongregaties, 1820-1940; Sr. Annette P.R., Geschiedenis van de congregatie der Penitenten Recollectinen van Etten: Zr. M. Munsters, Liefde bouwt op (Tilburg 1985.)
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het huishoudonderwijs in de meeste steden nog in opkomst. De schaarste aan voedsel en goederen was een reden om kook- en naailessen te gaan volgen. Centraal in de lessen stond niet alleen de goede, maar vooral de zuinige huisvrouw. Bovendien verhoogde deze opleiding de kans op een betrekking als dienstbode of naaister.RAT, archief gemeente Tilburg, 1908-1937, inv. nr. 510, brief van 20 mei 1939. De gevolgen van de economische depressie die in 1929 in New York werd ingezet, waren ook in Noord-Brabant merkbaar. De werkloosheidcijfers stegen begin jaren dertig tot grote hoogte en dat had weer gevolgen voor de koopkracht van veel gezinnen. Ook met zuinig huishouden konden de meeste burgers met een minimuminkomen nauwelijks in hun levensonderhoud voorzien. In en na de Tweede Wereldoorlog (1940-1944) konden vrouwen en meisjes op de huishoudscholen lessen volgen in hergebruik van textiel en ook werden er speciale kooklessen gegeven om goedkope en voedzame maaltijden te leren bereiden. In de naoorlogse jaren ontstond er door de wederopbouw behoefte aan meer arbeiders. Bovendien nam de vraag naar meer beroepsonderwijs toe als gevolg van een nieuwe industrialisatiegolf. Na het voldoen aan de leerplicht gingen meisjes al op jonge leeftijd in de fabriek werken waardoor ze nauwelijks vervolgonderwijs kregen. De in 1942 ingevoerde verlenging van de leerplicht tot acht jaar dagonderwijs, had positieve gevolgen voor de ontwikkeling en de groei van het huishoudonderwijs. Hoewel fabriekswerk voor meisjes door de kerk werd afgewezen, ambieerde menig meisje dit fabriekswerk omdat ze daar vrijer was dan in een betrekking als dienstbode. Om meisjes toch enige huishoudelijke kennis en vaardigheden bij te brengen, boden sommige bedrijven in de fabriek huishoudelijke cursussen aan.

Gezinspolitiek
Een ander belangrijk aspect voor de ontwikkeling van het naoorlogse nijverheidsonderwijs was de gezinspolitiek die de overheid initieerde. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog heerste er bij de autoriteiten een gevoel van ernstige bezorgdheid over de maatschappelijke ‘verwildering’. Normen en waarden moesten worden hersteld. ‘Gezinsherstel is Volkherstel’ propageerde de Katholieke Volks Partij (KVP) waarbij ze steun kreeg van de Partij van de Arbeid (PvdA) en de liberalen (VVD). Vrouwen en meisjes werden gestimuleerd tot werkzaamheden in de zorgsector, in het onderwijs en in huishoudelijke beroepen. De KVP deed zelfs een voorstel tot huishoudelijke dienstplicht voor meisjes dat echter door de socialistische minister van Sociale Zaken W. Drees werd afgewezen.Gezinspolitiek, KVP brochure (Den Haag 1947), p.35. De kerk steunde de gezinspolitiek van de overheid weer om een andere reden omdat volgens de gehuwde katholieke vrouwen in het gezin hoorden. Zij moesten zoveel mogelijk worden geweerd in fabrieksarbeid omdat daar door de omgang met mannelijke arbeiders hun zedelijkheid in gevaar kon komen.
Het huishoudonderwijs was aanvankelijk sterk klassenspecifiek gericht. Het lesprogramma werd in tijdsduur, leermiddelen en kosten aan die verschillende maatschappelijke klassen aangepast. De praktische vrouwelijke vorming kreeg in alle cursussen een belangrijke plaats toebedeeld en ook geestelijk werden meisjes voorbereid op de taak die hen later te wachten stond.
Het (verborgen) leerplan
De belangrijkste doelstelling van het katholieke huishoudonderwijs was de vrouwelijke vorming, die hen moest voorbereiden op hun toekomstige taak als echtgenote en moeder. Vooral in het katholieke deel van Nederland werd het moederschap door velen gezien als de enige levensvervulling van meisjes. Het huishoudonderwijs werd hiervoor het meest geschikt geacht omdat het enerzijds gericht was op de deskundige verzorging van de eigen huishouding, anderzijds op het uitoefenen van een beroep in de huishoudelijke sector voor diegenen die onverhoopt ongehuwd bleven.
Naast het formele leerplan waarin de vrouwelijke vaardigheden zoals koken, wassen, strijken, naaien, huishoudkunde en kinderverzorging waren opgenomen, werd er in het katholieke huishoudonderwijs ook een verborgen leerplan gehanteerd. Zo was het grondthema van de godsdienstlessen het leren zorgen voor anderen waarbij aan de vrouwelijke vorming en het dienstbaar zijn aan de ander een prominente rol werd toegekend.M. Hugolina, Zelf doen, Godsdienstlessen voor de leerlingen van R.K. Lagere scholen, het voortgezet lager onderwijs, het nijverheidsonderwijs en de jeugdverenigingen met medewerking van Pater Fructuosus O.F.M. Cap (Nijmegen 1947). Tijdens de godsdienstlessen werd Maria als hemelse moeder tot voorbeeld gesteld. Zo werd vermeld in het lesboek: ‘Denk er aan dat meisjes ook door God moederlijk zorgend zijn geschapen.’ Vervolgens benadrukten hoofdstukken als ‘Maria als model van ons leven’ en ‘Maria als werkvrouw’ de vorming van de meisjes. Zo werd bijvoorbeeld door de leerlingen zelf een litanie van Maria opgesteld waarin alle dienende, zorgende en opofferende eigenschappen een plaats kregen. Deze onofficiële litanie werd aanbevolen als gebed voor en na de lessen, waardoor meisjes iedere dag werden herinnerd aan de gewenste vrouwelijke eigenschappen.E. Nijhof, Goede reis: uitgewerkte lessen voor de godsdienstleraar bij het katholieke huishoudonderwijs voor meisjes, pp.136-144.
Bij de kooklessen werd benadrukt dat de vrouw verantwoordelijk was voor gezonde voeding. De lessen huishoudkunde leerden haar dat het haar taak was om later haar echtgenoot en kinderen op tijd van schone kleding te voorzien. Bovendien moest zij er ook voor zorgen dat het huis er schoon en gezellig uitzag als haar echtgenoot vermoeid van het werk thuiskwam. De nadruk lag vooral op het dienstbare thuis of eventueel voor anderen in een tijdelijke baan buitenshuis. De vrouwelijke vorming kreeg ook aandacht in de naailessen. De kleding moest vooral vrouwelijk en zedig zijn hetgeen betekende: hooggesloten halslijnen en mouwen tot aan de elleboog. Deze, door de bisschop voorgeschreven kledingvoorschriften, waren ook van toepassing voor de kleding die op school werd gedragen zowel voor leerlingen als leraressen. De algemeen vormende lessen waren eveneens gericht op huishoudelijke zaken. Het gezinsbudget kwam in de rekenles aan de orde met onderwerpen zoals de aankoop van voedingsmiddelen, schoonmaakmiddelen, stof berekenen voor kledingstukken evenals het huishoudboekje. In de taallessen werd er geoefend in het schrijven van sollicitatiebrieven, uiteraard voor vrouwelijke beroepen zoals hulp in de huishouding, coupeuse/huisnaaister, gezelschapsjuffrouw, kapster of dienstmeisje.Nijhof, Goede reis, p.142. De voornamelijk vrouwelijke religieuze leerkrachten gaven door hun gedrag en leefwijze de godsdienstig vrouwelijke vorming en dienstbaarheid nog een extra accent.

Diversiteit van leerlingen
Aanvankelijk was het huishoudonderwijs bestemd voor meisjes uit de gegoede burgerij, vervolgens voor dienstboden en arbeiderskinderen. Echter, in de bloeiperiode van het huishoudonderwijs na de Tweede Wereldoorlog bezochten meisjes uit diverse milieus en om verschillende redenen dit type onderwijs. Hoewel de lagere en middenklasse sterker vertegenwoordigd was, maakten ook dochters van industriëlen en vrije beroepen deel uit van de leerlingenpopulatie.
Zoals gezegd was dit type onderwijs voor meisjes meestal geen keuze, maar vaak vanzelfsprekend wegens de thuissituatie. De meeste ouders waren financieel niet in staat om hun dochter verder te laten leren. Een praktische reden was de afstand tot de school, want het middelbaar- of hoger (beroeps)onderwijs in de stad was voor meisjes van het platteland moeilijk bereikbaar. Uit onderzoek blijkt dat er opvallend weinig meisjes waren die bewust kozen voor deze opleiding. Degenen die dat wel deden, hadden al jong plannen om coupeuse of verpleegster te worden. Daarnaast was het een opleiding die de kortste weg bood om de leerplicht te vervullen en sommige meisjes, maar vooral veel ouders, maakten daar graag gebruik van. De heersende opinie over vrouwelijke vorming en bestemming werd jarenlang gedeeld door overheid en kerk. Het is dus niet verwonderlijk dat meisjes in die tijd de gedachte overnamen dat zij op de eerste plaats bestemd waren voor het moederschap en de zorg droegen voor het gezin. Immers, de persoonlijke ontplooiing stond niet op het lesrooster en die werd evenmin in het verborgen leerplan gestimuleerd.
De Mammoetwet, die in 1968 werd ingevoerd, zorgde voor grote veranderingen in het voortgezet onderwijs. In deze nieuwe wet werd onder meer de leerplicht verlengd waardoor vooral meisjes de kans kregen om langer (beroeps)onderwijs te volgen. De verschillende leerwegen die de wet voorstond, hadden tot gevolg dat meisjes massaal kozen voor een theoretische leerweg in het Meer Algemeen Vormend Onderwijs (MAVO). De praktische leerweg, Het Lager Nijverheids Onderwijs (LHNO) bood een minder breed pakket aan huishoudelijke vakken dan het vroegere huishoudonderwijs. Met dit nieuwe type onderwijs werd een andere beroepsoriënterende leerweg ingeslagen, die ook voor jongens toegankelijk was.
Ondanks de nadruk op vooral de praktische, dienstbare vrouwelijke vorming en geen vrije keuze, heeft het huishoudonderwijs achteraf meer betekenis gehad dan de aanvankelijke doelstelling beoogde. Dat bleek uit gesprekken met vrouwen die tussen 1919 en 1968 op diverse huishoudscholen onderwijs kregen. Het merendeel keek met plezier terug op deze periode omdat de praktische vakken heel nuttig bleken in hun eigen huishouding en in de theorievakken hun cognitieve vermogen werd aangesproken. Voor veel vrouwen was dat de aanleiding voor studie in een latere fase van hun leven om hun bestaan als (t)huisvrouw en moeder meer inhoud te geven.Dit bleek uit een onderzoek waaraan ruim honderd vrouwen deelnamen.
Gerda Godrie-van Gils is cultuurhistorica. Zij is sinds enkele jaren verbonden aan de universiteit van Tilburg als buitenpromovenda. Haar onderzoek betreft: De geschiedenis van het rooms-katholieke huishoudonderwijs in Noord-Brabant in de periode 1918 -1968. Centraal in dit onderzoek staat de vrouwelijke vorming en het sekse en klassenspecifieke karakter van dit type onderwijs. De geschiedenis van het katholieke huishoudonderwijs behoort tot het onderzoeksproject van professor dr. A.J. Bijsterveld: Rooms in alles?
Dat de scholen van de katholieke boerenorganisaties Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB) in dit artikel niet voorkomen, is heel simpel te verklaren. Deze scholen waren tot 1968 officieel landbouwhuishoudscholen, ook al werden ze vaak huishoudscholen (ten plattelande) genoemd. Ze vielen ook onder de Wet op het Nijverheidsonderwijs (1921 ingegaan) maar niet onder dezelfde inspectie. Dit was het resultaat van de onderhandelingen dat het plattelandshuishouden ander onderwijs vergde. De naam landbouwhuishoudscholen duidt de relatie met de landbouw aan, ook al werden specifieke landbouwvakken voor meisjes niet lang gegeven. Zie hierover meer in de publikaties van Ton Duffhues en mijzelf.
In het artikel mis ik de rol die b.v. het Schoolbestuur van de NCB hebben gespeeld bij de tot standkoming van zo’n 50 scholen voor huishoudonderwijs.

