Bordewijk en het systeem

Door Ria de Oude-de Wolf

Van de boeken van Bordewijk zijn vooral Bint en Karakter bekend gebleven. Het laatste is in 1997 verfilmd. Een rode draad in zijn werk is een kritische benadering van systemen. Ze worden geschilderd als aantrekkelijk, maar gevaarlijk. Dit thema staat centraal in zijn tweede roman, Blokken. Een analyse van dit boek kan daarom verhelderend zijn voor de interpretatie van het complete oeuvre.

De eerste uitgave van Blokken verscheen in 1931. In dat jaar werd ook de eerste naturistenvereniging in Nederland opgericht, de Bond van Lichtvrienden. In maart betrokken de eerste bewoners de wolkenkrabber aan het Victorieplein in Amsterdam, in het plan Zuid van Berlage. De Friese kapper Hendrik Bulthuis ontwierp de 16 kwadraat BM, een betaalbare zeilboot voor de gewone man. In 1931 stelde een regeringscommissie een onderzoek in naar wijdverbreide danswoede. Zinnenprikkelende negermuziek, veelvuldige uithuizigheid en daaruit voortvloeiende vroegtijdige verkering waren volgens kerk en staat het begin van moreel verval. Ten tijde van een huurstaking ontstond in Rotterdam het arbeiders- en schrijverscollectief Links Richten, dat zich verzette tegen fascisme en oorlog.

Blokken is een reactie op de ontwikkelingen van die tijd. De korte roman voert bepaalde tendensen tot het uiterste door en laat zo zien wat de consequenties ervan zijn; het gaat dan vooral om de totalitaire staat. Het wordt een interessant beeld van een mogelijke toekomst.

Hoe ziet deze toekomst er uit? Er is een maatschappij gevormd die zichzelf als de ideale beschouwt en die alles tot in de puntjes heeft geregeld voor de inwoners, van het tijdstip voor de maaltijden tot de vrijetijdsbesteding. Alle verschillen zijn uitgebannen, iedereen is gelijk. Van een elite is geen sprake meer doordat het persoonlijk bezit is afgeschaft; mannen en vrouwen zijn geheel gelijkgeschakeld en doen gezamenlijk naakt aan atletiek in de sporthallen. In deze extreme democratie vormt het algemene nut het hoogste goed. De mens is onderdeel van het geheel; eigennamen zijn nog niet afgeschaft, maar dat zal spoedig gebeuren; het leven speelt zich –vrijwel- uitsluitend af in de openbaarheid en in massa’s. Deze massa’s maken een opgewekte indruk als ze zingend optrekken achter hun orkaan van rode vlaggen.

De Staat heeft alles onder controle. De inrichting van het land weerspiegelt de rechtlijnigheid waarmee ook de samenleving als geheel is ingericht: steden of dorpen zijn vervangen door een aantal aan elkaar identieke centrale punten. Alle gebouwen zijn vierkant. Opvallend is de betrekkelijk geringe rol die toebedeeld wordt aan de techniek. Technische verworvenheden worden alleen toegepast waar ze wenselijk zijn. Auto en trein zijn overbodig geworden doordat het land zo doelmatig is ingericht dat iedereen overal te voet kan komen en verder zijn er ondergrondse transportbanden. Wel zijn er enorme vliegtuigen voor de lange afstanden en verder zijn er raketten om de ruimte te verkennen, tot ver buiten ons zonnestelsel. Deze luchtvoertuigen hebben een enorm prestige. De mens maakt gebruik van de techniek, maar wordt er niet door bepaald, zoals een fabrieksarbeider aan de lopende band. Ook in de metaforen is de techniek nauwelijks vertegenwoordigd. De Staat presenteert zichzelf nergens als een mechanisme, als een goed geoliede machine, maar steeds als een geheel van mensen.

Is dit inderdaad de perfecte samenleving? De eerste twee alinea’s laten meteen al zien dat er geen sprake is van volmaaktheid:

Het vliegtuig ging zijn weg, pijlrecht, een rood seinlicht voorop, versterkt door kristallen prisma’s. Het schoot door de nacht als een pijl met gloeiende punt. Het doel was de stad. Het vloog laag over de bouwlanden. Er waren geen lichten op de aarde. Er was een overvloed van licht in de hemel. Daar waar de mens nog geen macht had leefde de romantiek, wild en vertoornd in haar zege. De stormwolken gingen geweldig, fregatten van de nacht, óverbespannen met zeil. De zeilen scheurden.Alle citaten zijn uit: F. Bordewijk Blokken, Knorrende beesten, Bint. Drie romans. (vijfde druk, ’s-Gravenhage-Rotterdam,1962).

Het vliegtuig wordt geschilderd in al zijn schoonheid en kostbaarheid (kristallen- even verderop ook het vorstelijke robijn en saffier); het is zeer doeltreffend (pijlrecht) en het bezit licht waar de rest van de aarde in duister verkeert. Op dit product van menselijk vernuft kan de maatschappij met recht trots zijn. Maar het wordt dubbel door de metafoor van de pijl met gloeiende punt, die een zekere dreiging inhoudt. Daarna wordt expliciet gezegd dat de mensheid nog niet de gehele kosmos onder controle heeft en ook van de ongetemde natuur gaat een aanzienlijke dreiging uit.

De achilleshiel van de Staat blijkt de natuur te zijn, niet in de laatste plaats de menselijke natuur, die een volkomen rechtlijnigheid en eenduidigheid in de weg staat. Het systeem past zich daarbij aan. Zo is er iedere keer na vier dagen een rustdag en de – uiteraard uniforme - kleding kent een variant voor de winter en voor de zomer. In de inrichting van de stad is gezorgd voor enige variatie om, weliswaar zo onopvallend mogelijk, eentonigheid te doorbreken. De Staat legt beperkingen op: Van oog of oor, van geen ander zintuig werd door de overheid feestelijke streling geduld, veelmin verwekt. Muziek is gereduceerd tot massaal oorverdovend orgelspel en verder is er alleen visueel vermaak, zoals een massale wapenschouw. De massa lijkt niet te lijden onder deze beperkingen. Van een echt probleem is geen sprake.

Ernstiger is de bedreiging van binnenuit, letterlijk. In de stad is – niemand weet precies waarom - een historische ronde kern overgebleven met patriciërswoningen, kazernehuizen, sloppen en stegen, en een kerk; er is een museum. Hier verzamelen zich steeds weer de mensen met subversieve ideeën. Deze kern is als de hersenen van een hooggeordend zoogdier. Het lukt niet dit hart van de samenleving definitief onschadelijk te maken. Gelijk de zakdoek zijn microben, bevatte de stadskern de microben van een schaduwleven buiten het gemeenschapsverband. En deze ziektekiemen zijn gevaarlijk.

In de Staat wordt alles bepaald door de Raad, een orgaan van tien personen dat uit ‘de bureaus’ wordt samengesteld:

De Raad bestond als één Norm, als één Handeling, als één Beslissing. Hij was voor zichzelf streng met ijzeren consequentie: iedere minderheid die in hem ontstond werd geëxecuteerd. […] De Raad was voor zichzelf een opperste terreur

.

Ook hier is dus sprake van een bedreiging van binnenuit. En keer op keer moet dit orgaan optreden tegen kritische groeperingen. Soms lukt het een afwijkende mening onschadelijk te maken door de verkondiger te behandelen als een komische bezienswaardigheid. Zo vergaat het de man uit het verleden die de bolvorm propageert in plaats van de blokken en die af en toe tevoorschijn wordt gehaald als men zich wil vermaken.( Ge zijt de kubisten van de praktijk. Het blok is uw god en toch kunt gij de natuur niet keren.) Maar doorgaans wordt kritiek beschouwd als een aanval op de Raad en mensen die zich daarmee bezighouden, moeten dus als ratten verdelgd worden. De Staat loochende alle individuele waarden, in de eerste plaats de waarde van het individu. Het individu had slechts één belang voor de Staat, zijn staatsgevaarlijkheid. Dan zag de Staat in hem een mens. Mens was voor de Staat gelijk aan vijand.

Het grootste risico wordt gevormd door groep-A, die vanuit de stadskern opereert. De leden hiervan onderschrijven op vele punten het beleid van de Staat, zoals ook te zien is aan hun naam. Maar zij betwijfelen of het recht doet aan het wezen van de mens. Zij vinden de mens pas compleet is als hij dualistisch kan zijn, dat wil zeggen dat hij de vrijheid moet hebben om vragen te stellen en kritiek te uiten. Daarmee wordt het absolute gelijk van de Staat betwist. Zij onderkennen ook het verschil tussen de perfectie van een machine en die van de Staat. De basis van de Staat is de mens, die zichzelf tot hoogste norm verheft. De prestatie waar de maatschappij zo trots op was, de verkenning van de ruimte, blijkt een rampzalig resultaat te hebben. De mensheid deed een ontdekking, de vreselijkste van alle tijden: zij vond de eindigheid van het heelal. Zij schafte God af. De critici zoeken naar een nieuw godsbesef: Mijn geloof is dat het heelal buiten zintuigelijke waarneming verbonden is aan andere heelallen tot een nieuwe eenheid in vierde dimensie, en deze weer aan andere en zo tot in het oneindige en onbegrensde. En dat is misschien God. Groep-A wordt in het openbaar geëxecuteerd. Hun namen waren: Glüschaint, De Marcas, Tannenhof, de vrouw Tekalopte, Ypsilinti.

Ronduit cynisch is het dat bij de feestelijkheden die later worden georganiseerd om te maatschappelijke onrust te doen bedaren, de Staat luchtspiegelingen vertoont van de blokken van de stad der toekomst, het nieuwe-Jeruzalem. Een tweede attractie vormt een meteoriet die jaren geleden is neergekomen; de Staat ziet hierin een kostbaar geschenk: De Staat, van dat ogenblik, met een naïeve natuurreligie, beschouwde zich als uitverkoren. De religiositeit is niet zo absoluut uitgebannen als het leek.

Hoe hard de Staat zijn positie ook verdedigt, de strijd is tot mislukken gedoemd. De zonde, zo oud als de mens, woekerde in het lijf van de Staat gelijk de flora in de darm. In de onderaardse gangen geven mensen zich, in het donker van de nacht, over aan ondeugden: geld, juweel, lekkernij, drank, spel, ontucht. Ook het indrukwekkende propagandavertoon van de wapenschouw en het afschieten van een interstellaire raket is niet afdoende om de massa in toom te houden:

De tien zagen het. Zij zagen het of zij van grote hoogte het beloop zagen van onderaardse wateraderen in het alluvium. Zij zagen de wanorde in wording, de splijting, de celdeling. Het was er gering nog, maar onmiskenbaar.

De visie is duidelijk: een dergelijke staatsvorm is inhumaan. Groep-A verwoordt deze visie. Niet voor niets worden de leden ervan sympathiek geschilderd. Ze zijn niet uit op geweld, laat staan vernietiging van al het bestaande, ze staan een evolutie voor, een natuurlijke ontwikkeling. Deze visie wordt krachtig ondersteund door de vergelijkingen. Afwijkend gedrag wordt vaak op één lijn gezet met natuurelementen zoals microben, flora, alluvium, sociale vulkanologie, endocrien evenwicht. Wie zich tegen dergelijke krachten verzet, lijdt aan zelfoverschatting.

In het verhaal komt geen enkel individu voor, op de vijf rebellen na. Dat weerspiegelt de werking van de Staat. De strakke inrichting van de maatschappij is voelbaar in de opbouw van de roman. Deze bestaat uit korte hoofdstukken met korte titels: de dag, de lezing, de stadskern, de monoliet. De complexe en poëtische beeldspraak vormt hiermee een contrast. Doordat in metaforen het geweldige gelijkgesteld wordt aan het kleinere, naar menselijke maat, wordt duidelijk hoe geperverteerd het beeld is dat de Staat de mensheid voorhoudt. De uitgebreidheid van een sterrenhemel wordt als volgt afgedaan: De zwarte hemelvloer lag volgehageld met sterhagel in alle korrelgrootten. De vormgeving ondersteunt dus krachtig zowel de visie zelf als het algemene karakter ervan.

Deze algemene visie maakt de kracht uit van de roman en maakt hem ook boeiend voor lezers van nu, zoveel jaar later. Het is geen roman in de traditionele zin van het woord. Zo is er in feite geen doorlopende intrige en dus ook nauwelijks een spanningsboog. De spanning zit hem in het contrast tussen de uiterlijke volmaaktheid en de worm binnenin. Personages met wie de lezer zich kan identificeren, ontbreken. De leden van groep-A krijgen daarvoor te weinig reliëf. Psychologische verdieping past niet in de Staat en ontbreekt daarom in het verhaal.

Er is wel gesteld dat Bordewijk een specifieke staat op het oog had, te weten het Rusland van Stalin, dat net als de Staat van Blokken gekenmerkt werd door collectivisme, een alomtegenwoordig staatsgezag met een enorm propaganda-apparaat, en afschaffing van de religie. Ook specifieke details wijzen in die richting: de rode vlaggenzee, de rood-witte of rood-zwarte kledij, de naakte sportbeoefening. Maar het is even goed mogelijk te denken aan de opkomst van het nationaal socialisme. Ook de opdracht aan S.M. Eisenstein en A. Einstein, filmcomponist en wijsgeer, meesters der verschrikking duidt erop dat Bordewijk niet één bepaald systeem op het oog had. De roman gaat niet over één duidelijk aanwijsbare ideologie, maar stelt het probleem meer algemeen. Er is één opmerkelijk verschil met de historische werkelijkheid: in Blokken is geen sprake van een dictatoriale leider. De Raad komt voort uit het volk. Daardoor valt het volle licht op de ideologie. In Blokken wordt duidelijk dat geen enkele ideologie volkomen kan zijn. Ieder systeem, hoe goed het doel ook is, biedt onvoldoende ruimte aan de mens als individu. En mensen die de mensheid beschouwen als de hoogste macht, zijn ten prooi gevallen aan een waanidee.

Deze visie is in ander werk van Bordewijk op allerlei manieren uitgewerkt. Dat begint al bij de titel van zijn debuut, Fantastische vertellingen (1919, 1923, 1924), die een voorkeur laat zien voor de vrije verbeeldingskracht. In Bint (1934) gaat het om de tucht in een klas. Uiteindelijk wordt De Bree, de docent die uit alle macht probeert het zooitje ongeregeld te disciplineren, slachtoffer van dit streven. In Karakter (1938) leidt de meedogenloos strenge opvoeding wel tot het maatschappelijk succes van de zoon, maar ook tot een onherstelbare breuk tussen hem en zijn vader. Bordewijk laat zien dat we niet genoeg op onze hoede kunnen zijn voor de verstarring van idealen tot een systeem.

Bookmark and Share

Ria de Oude–de Wolf is Neerlandica. Ze heeft 11 jaar gewerkt als docent aan een PABO, daarna als docent bij de Open Universiteit. Ze had daar speciale aandacht voor symbolistische kunst ( de module Kunst & Waarheid) en presentatievaardigheden.

  

Er zijn nog geen reacties

Hier graag uw bericht




?
? ?
?

Powered by TalkBack