Een ‘geleerde benaming’ die werd afgezworen: droom in stilte gekoesterd
Door Christiaan Jacobsen
Het is mijn bedoeling het ‘gemeen vaderland’, althans in cultureel opzicht, denkbeeldig te verenigen. Ik spreek dan ook van een culturele eenheid, die al het politieke overstijgt; de staatsgrenzen zijn slechts getrokken uit overtuiging van politici. Wanneer ik spreek over het wezenlijke in de Nederlandse cultuur dan leg ik de klemtoon op de 17e eeuw. De cultuur van de Bourgondische Nederlanden vormde slechts een prelude, een voorgeschiedenis die tot de Gouden Eeuw kon uitgroeien. Feitelijk zijn de twee perioden onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Dat het Bourgondische element zich op cultureel vlak heeft kunnen doorzetten blijkt wel uit de immense invloed die het heeft uitgeoefend in de Nederlanden; behalve in literatuur en bouwkunst, ook in industrie, taalschat, syntaxis, administratie en belastingen. Het huidige economisch-juridische stelsel is van Bourgondische oorsprong. Dat de Haarlemmer nog altijd leeft volgens de handelswetten van de Bosschenaar, wiens stad ‘s-Hertogenbosch het eens had overgenomen van Leuven, in de 15e eeuw de eerste én enige universiteitsstad in het Bourgondische Rijk. De stichting hiervan was een mijlpaal in de geschiedenis van West-Europa en maakte Vlaanderen en Brabant tot gewesten, die op een hoger peil stonden dan Holland en Zeeland. Het Hertogdom Bourgondië, ingeklemd tussen Frankrijk en het Duitse Rijk, was het rijkste en meest geciviliseerde land dat op het laatmiddeleeuwse contingent te vinden was. Op cultureel vlak raakte niet voor niets de term ‘Flandres’ in zwang; dit om de ‘oude Nederlanden’ te identificeren met de hoogontwikkelde Bourgondische cultuur en om alle ‘seventhien Landen’ aan te duiden als eenheid.
Om het Huis van Oranje in gedachten te nemen, heeft dat niet haar eigenlijke wortels liggen in Orange? En sprak en schreef onze Willem van Oranje – net als vele tijdgenoten – niet de Franse taal? Immers, Willem stelde zijn vermaarde Apologie, zijn officiële rechtvaardiging voor de Opstand tegen Spanje, in die taal. Dat Willem het juist in dié taal opstelde is merkwaardig; de gewone burger was het Frans niet machtig. Slechts de edellieden bedienden zich van de Franse taal. Datzelfde probleem had zich eerder voorgedaan in de Bourgondische periode, toen het Frans gold als de officiële taal in vorstelijke kringen. Aan het hertogelijke hof te Brussel werd het gesproken. Dit was voor de Vlaamse en Waalse adel geen probleem – de adel bestond praktisch uit mensen van beneden de grote rivieren – en de Brabantse werd immers volgens traditie tweetalig opgevoed. Voor de welgestelde in Zeeland en Holland was er echter een taalbarrière. Geen wonder dan ook dat Hendrick Laurensz. Spiegel zich in de 16e eeuw opwierp als trouwe voorvechter van de ‘deugden der moedertaal’ en in zijn Twe-spraack van de Nederduytsche Letterkunst, een spelling-, etymologie- en grammaticaboek uit 1584, eiste van hogerhand dat de Nederlandse taal in wording moest worden gezuiverd van Franse bastaardwoorden; en trouwens ook van Latijnse archaïsmen. Zijn werk droeg dan ook met grote trots de Nederlandse taal uit, als dé moedertaal waarvan men zich moest bedienen.
Dit fenomeen paste in een tijdperk waarin de ‘bloem’ van de Nederlandse cultuur zich naar het noorden had verplaatst en tal van dichters en historici druk doende waren een denkbeeldige natie te vormen, gekoppeld aan trots en nationaal bewustzijn. Deze opvatting, die reeds in de eerste bestaansjaren van de jonge republiek zich voordeed, stond gelijk met de Bataafse mythe, die de Noordelijke Nederlanden tot een van de oudste en meest stabiele naties van Europa maakte als erfgename van het ‘Bataafsche Gemenebest’. Passend in die mythevorming was het feit dat de economische en sociale achteruitgang van het Zuiden samenviel met de opkomende welvaart van de ‘Nederlandtsche Verenighde Provintien’. Reeds tijdgenoten – en dat waren niet alleen katholiek gezindten – betreurden de afscheiding, die sinds 1585 was ontstaan. Tal van historici hebben de gebeurtenissen vanuit diverse perspectieven beoordeeld en hun visie werd door veel tijdgenoten, zowel in de Zuidelijke Nederlanden als boven de grote rivieren, gedeeld.
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, met Holland voorop, maakte bezwaar omdat aansluiting van de Zuidelijke Provincies zou resulteren in de teruggave van de vroegere macht aan Antwerpen als handelsmetropool (en dus als concurrent van het Amsterdamse monopolie). Anderzijds was de Staten-Generaal beducht om Frankrijk als een directe buurman te krijgen. Door het welbewust uitvoeren van een ‘Klein-Nederlandse’ politiek werd deze vlaag van hartstochtelijk irredentisme de bodem ingeslagen. Voorstanders van het Groot-Nederlands gedachtegoed waren van mening dat de Staten-Generaal weigerden hun grondgebied uit te breiden ‘tot het oude, historische hart van de Nederlanden’. Omwille van politieke kronkelingen werd het oude kloppende hart van de natie opgegeven, tezamen met de overige Zuidelijke Nederlanden, die als een soort bufferstaat gezien werden en als zodanig ook gebruikt werden. De Fransche Tyrannie moest buiten de deur gehouden worden, zo was de constatering van de Staten-Generaal.
Ook al was de droom in politiek opzicht verloren, de stille hoop die bij vele katholieke Hollanders leefde tot aansluiting bij het Zuiden en de nostalgische kijk die zich met name in de schilderkunst openbaarde doet constateren dat er een hang was naar de ‘oude Nederlanden’. Het is mij te doen om die nostalgie, die bij enkele kunstenaars en cartografen in de Noordelijke Nederlanden leefde. Het bekendste voorbeeld is Johannes (Jan) Vermeer. Zijn hang naar het verleden kwam tot uiting in zowel zijn bekering tot het katholicisme als in vele van zijn schilderijen. Vermeer was verzot op het afbeelden van landkaarten in zijn kunstwerken. Het werk Allegorie van de schilderkunst, een zelfportret van de kunstenaar met zicht op zijn atelier, verdient vermelding. Dit schildersdoek vertoont het cartografische element al in zich. De kaart die boven Vermeer op de afbeelding hangt neemt een voorname plek in in de beeldcompositie. Interessant is dat het vaderland niet wordt afgebeeld met de zeven provincies van de Republiek, maar in de vorm van de zeventien provincies van de humanistische renaissance. Deze afbeelding stond voor de schilder symbool voor een periode waarin het humanisme hoogtij vierde en de Nederlanden onderdeel waren van het Bourgondische Rijk; zijn vaderland was (althans op het doek) een geografische eenheid.

Ook de lamp die aan het plafond hangt is noemenswaardig; deze wordt bekroond door twee adelaarskoppen. De dubbele adelaar ‘aigle á deux têtes’ symboliseerde het Bourgondische (later Habsburgse) Huis. Het wapenfiguur had in een enigszins andere gedaante zijn bekendheid gekregen omdat het als zinnebeeld was toegepast in het Heilige Roomse Rijk. De betekenis die Vermeer aan de lamp toekende was tweeledig. Ten eerste wilde hij de vroegere Bourgondische macht der hertogen, met hun fabelachtige luister en grandeur, in het doek vereeuwigen. Anderzijds werd de adelaar ook geassocieerd met de feniks, het fabeldier dat behalve voor ‘immortalité’ symbool stond voor ‘verrijzenis’ en ‘herleven’. De kunstschilder wilde met dit doek een politiek statement maken. Hij verkoos katholicisme en de Contrareformatie en een terugkeer naar een tijdperk waarin het humanisme zegevierde. Dat het doek gemaakt kon worden in de Noordelijke Nederlanden ten tijde van de republiek toont ook het voor die tijd ongekend tolerante klimaat. Kunstenaars konden voor hun religieuze en politieke opvattingen uitkomen, ook al werden er in bepaalde opzichten van hogerhand beperkingen opgelegd; dit gold met name voor de katholieken. Het in eigen beheer houden van het schilderij was dan ook een doelbewuste keuze.
Ook in de cartografie deed de trend zich voor. Zoals op de uit 1598 gedateerde Kaart van de Nederlanden van uitgever Joh. Doetichum, die zich tegenwoordig in het Rijksprentenkabinet in Amsterdam bevindt. Op deze landkaart worden de ‘oude Nederlanden’ afgebeeld in de vorm van de leo belgicus, een ‘gaande en aanziende leeuw’ die zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden omvat, met inbegrip van een stuk noordelijk deel van Frankrijk. De Oostenrijkse cartograaf Freiherr Michael von Aitzinger vervaardigde de kaart voor in zijn geschiedkundige werk ‘De Leone Belgico’ (1581), waarin hij de politieke situatie weergaf vanuit Spaans standpunt. Hoewel een cartografisch meesterwerk werd het pas in 1650 gepubliceerd; voor gebruikmaken te laat, daar de landsgrenzen niet meer overeenkwamen met de werkelijkheid. De scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden was al een voldongen feit; de Staten-Generaal zagen definitief af van de situatie die de kaart uitbeeldde. Een interessant detail overigens is dat de leeuw met zijn rug naar het Britse koninkrijk toe staat. Von Aitzinger, aanhanger van de Spaanse Kroon, wilde hiermee zijn politieke gezindheid aantonen.

De leeuw werd ook op tal van andere manieren vereeuwigd. Cornelis Claesz. deed dit op koperplaten. In 1609, vlak voor zijn dood, liet hij door Hessel Gerritsz. een lopende leo belgicus graveren. In vergelijking met die van M. von Aitzinger is deze ondersteboven afgebeeld, met de kop in Vlaanderen. De koperplaat werd vervolgens nog vier maal herdrukt, dat erop duidt dat de ‘stille’ droom springlevend was in katholieke kringen. Feit is dat het menig huiskamer sierde; Claes Janszoon Visscher was de laatste eigenaar.
Ook al werd de Nederlandsche Leeuw geassocieerd met de Bourgondische gewesten, in ’s-Gravenhage was men van plan het machtswapen te gebruiken (of voor eigen doeleinden te kapen, zo men wil!) om de rol die het gewest Holland ten deel viel te benadrukken. Die dominante rol kreeg ze ten koste van Antwerpen, eens de trotse parel van hetgeen de leo belgicus belichaamde. Het was Holland die de Staten-Generaal in een tijd van oorlogshandelingen wist te overtuigen van het plan af te zien de ‘onbevrijde’ delen van de Nederlanden (Vlaanderen en Brabant) op de Spanjaarden te heroveren; Holland had er politiek baat bij de de facto-grens die in 1609 was gevormd, met de aanvang van het Twaalfjarig Bestand, geografisch in stand te houden. Handelsbelangen waren de voornaamste drijfveer om deze de facto-grens te handhaven. Bovendien stond de machtige handelspositie van Amsterdam op het spel. Het gewest was erbij gebaat de Zuidelijke Nederlanden te beschouwen als een soort bufferstaat tegen de opkomende Fransche Tyrannie. Door het acute gevaar van een Franse inval in de republiek besloot de Staten-Generaal unaniem tot vervanging van het oude generaliteitswapen. Dit werd vervangen door een nieuw zegel, voorzien van een rode leeuw op een gouden ondergrond. Hieruit valt de dominante positie van het gewest Holland binnen de ‘Republicq’ op. Holland eiste deze kleur ‘uit nationaal belang’ op; hiertegen werd fel protest ingediend door de overige gewesten. Dit resulteerde in de verwisseling van de rode kleur van de leeuw voor de gouden; de achtergrond werd zodoende rood.
Dat het kloppende hart van de Bourgondische Nederlanden vér buiten de landsgrenzen viel deerde de politieke gemoederen in de Staten-Generaal blijkbaar niet. Door Vlaanderen en Brabant van politieke deelname uit te sluiten werd de Nederlandsche Leeuw van haar sokkel geheven; het fundament van haar Bourgondische omvang werd haar ontnomen. Met dit politieke gebaar zag men in het Noorden van de ‘geleerde benaming’ België af. Men voelde zich Bataafs in hart en nieren en men toonde politiek en cultureel geen verwantschap met de zuiderburen. Uit de as herrees de leeuw onder de benaming ‘Generaliteitsleeuw’, vaak afgebeeld met zwaard en met zeven pijlen, wakend over de Hollandse tuin; zoals de kroniekschrijver en etser Romeyn de Hooghe op de gravure ‘Allegorische voorstelling van de Zeven Provinciën’ zo treffend heeft weergegeven bij zijn uitgave Spiegel van Staat der Vereenigde Nederlanden (1706). De Hooghe beeldde hem als Gotische leeuw af, strijdbaar met opgestoken zwaard als symbool van kracht en moed. Romeyn was iemand die het (Noord-)Nederlandse nationale bewustzijn verheerlijkte, dat die periode zo karakteriseerde.
In zijn tijd kwam de bundel met zeventien pijlen ter discussie te staan, daar men in de Noordelijke Nederlanden allang niet meer hunkerde naar de geest van de ‘oude Nederlanden’. De leeuw was al symbolisch schade aangedaan; nu werd aldus de pijlenbundel onder handen genomen. Voorgesteld werd de bundel terug te brengen tot zeven pijlen. Dit plan kon echter in de Staten-Generaal niet worden doorgezet. Wel lukte het de wapenspreuk ‘Concordia’ (Eendragt) aan de huidige situatie aan te passen: ‘Concordia Res Parvae Crescunt’ (Eendragt Maeckt Magt).
Ook al was er in de Noordelijke Nederlanden geen hang naar vereniging met de zuiderburen, bij veel Vlaamsgezinde liberale intellectuelen is het ideaal ten volle blijven leven. Zij betreurden de afscheiding van 1585 en herdachten de ‘oude Nederlanden’, een in stilte gekoesterde droom die Johannes Vermeer in 1668 zó prachtig op doek wist te verbeelden: het Bourgondische.
Geraadpleegde Literatuur
Heraldisch Tijdschrift, jaargang 13, nr. 3, De Leeuw.
Periodiek van de Afdeling Heraldiek, Nederlandse Genealogische Vereniging.
Vennik, R.K., Enige kanttekeningen bij het nieuwe embleem van de Douane, Is de Nederlandse leeuw het spoor bijster?, 68-71.
Schama, S. Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw,
hdst. 2, De Vaderlandse schrift, Onzekere grenzen, 63-71.
Over cultuurhistorische geschiedschrijving en de Opstand in Nederland volgens het ‘narrativisme’.
Een beschrijving van de ‘Nederlandse’ cultuur vanuit ‘hollandocentrisch’ perspectief.
Hyperlink
Het zegel van de Staten-Generaal, dat in 1579 in gebruik werd genomen. Op dit zegel houdt de Nederlandsche Leeuw de zeventien pijlen vast in zijn linkerklauw. Het zegel werd vervaardigd in een periode dat er nog sprake was van een hartstochtelijk irredentisme in de Noordelijke Nederlanden. www.ngw.nl/rykswap.htm
Hoewel het aantal pijlen de zeventien gewesten symboliseren, zoals ten tijde van de ‘oude Nederlanden’, bleef het zegel in gebruik tot 1795, dus tot het einde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dat het zegel niet symbolisch schade werd toegebracht kan erop duiden dat men ook in politieke kringen, althans een minderheid, een stille hoop koesterde tot aansluiting bij het Zuiden (Uit: De Vries, 1995, blz. 32).
Christiaan Jacobsen is beginnend student Algemene Cultuurwetenschappen.

