De Jonge Italianen

Door Harry Druijf

Kort na de tweede wereldoorlog stond vooral de Amerikaanse kunst in het middelpunt van de belangstelling. Gezien de veel grotere historie van de ‘oude wereld’ kon het niet uitblijven dat er weer een trend naar de Europese kunst zou volgen, ook in Amerika. Marcia TuckerMarcia Tucker (1940 – 2006) was freelance kunstcritica, schrijfster en oprichtster van het New Museum of Contemporary Art in New York bracht in een recensie over een tentoonstelling in The New Museum te New York, getiteld “Bad” Painting, één van de eerste tentoonstellingen van ‘jonge Italianen’ onder de aandacht. Zij gebruikte de term Trans-Avantgarde en Achille Bonito Oliva bracht daarna een boek uit onder de titel The Italian Trans-Avantgarde.

Ontwikkelingen in Italië tot de hedendaagse kunst
Vrijwel synchroon aan de stroming die Neue Wilden heeft sinds1978 het werk van de Jonge Italianen de aandacht getrokken. Voorlopers waren de zogenaamde Arte Povera kunstenaars zoals onder andere Mario Merz geboren in 1925 (Italië) en Jannis Kounellis, geboren in 1936 (Griekenland). De daarop volgende generatie manifesteerde zich over het algemeen genomen niet als groep. Incidenteel gezien noemden sommigen zich wel geestverwant van elkaar. Er werd wel samen geëxposeerd in kleine vertegenwoordigingen maar dan louter en alleen maar uit commercieel belang. De essentie bleef het individu en zo beschouwden zij zichzelf dan ook. Wat betreft het materiaalgebruik had zich een verrassende ontwikkeling voorgedaan. De technieken van de klassieke schilderkunst, tijdelijk verguist, werden weer gehanteerd en dan vooral olieverf- en zelfs frescotechniek (Francesco Clemente).

Dat niet alles onder de noemer ‘Individualisme’ gebracht kon worden, ondanks uitingen van de betrokken kunstenaars zelf, blijkt bijvoorbeeld uit de samenwerking tussen Sandro Chia en Enzo Cucchi die nota bene samen één groot schilderij tot stand brachten onder de titel Lavoro a due. Ook de gebruikte beeldtaal via tekens bracht een koppeling tot stand.

De doorbraak
De jaren tachtig kunnen beschouwd worden als die van de doorbraak van een nieuwe richting in de beeldende kunst; niet in de laatste plaats de schilderkunst van de Jonge Italianen, bekend onder de noemer Transavanguardia of Arte Cifra. Op de Biënnale in Venetië in 1978 waar duidelijk nieuwe impulsen werden gegeven, en ook op de ‘Jeugdbiënnale’ van Parijs, werden in die periode de Jonge Italianen naar voren geschoven. Ze werden in Amsterdam geïntroduceerd door galeriehoudster Riekje Swart en in Rotterdam in galerie ‘‘t Venster’. Museumdirecteur Frans Haks van het Groninger Museum bracht in 1981 een grote presentatie van tekeningen die overigens niet helemaal overtuigend was.Die enthauptete Hand. Chia, Clemente, Cucchi, Paladino – 100 zeichnungen aus Italien, Catalogus, Boner Kunstverein, Städtische Galerie Wolfsburg, Groninger Museum (1980) Zoals eerder aangegeven voelden de Jonge Italianen zich beter thuis in de schilderkunst en dat bleek later ten tijde van een grote tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Een aantal toonaangevende kunstenaars namen daaraan deel zoals Chia, Chucchi, Clemente, De Maria, Ontani, Paladino en Tatafiore.

Er ontstond vrijheid doordat de grenzen van de kunst doorbroken waren vanwege een stroming als Arte Povera - met raakvlakken aan de conceptuele kunst- waarvan de Jonge Italianen zich distantieerden. In een bulletin van Het Stedelijk Museum in Amsterdam stond treffend:

Geen concept- of minimale kunst meer, deze utopie heeft afgedaan.

De werkwijze van de Jonge Italianen leek een proces van vormgeven van buitenzinnelijke ervaringen.

De werkwijze
Directheid stond voorop. De Jonge Italianen maakten gebruik van gewone teken- en schildertechnieken en maakten nauwelijks gebruik van moderne technieken als fotografie, film, video et cetera. Alles handelde om de intensiteit van het moment en ontstond al doende. De gebruikte tekens hadden symbolische waarden, verwijzend naar het onbewuste van het ‘ik’, wat niet leidde tot een zogenaamde eigen identiteit. Politieke- of maatschappelijke bedoelingen ontbraken veelal. Het ‘pure eigen ik’ schiep grote mogelijkheden tot vrijheid van expressie en dat was hun ambitie. De Jonge Italianen maakten geen gebruik van een bepaalde stijl en streefden niet naar een perfecte vormgeving. Soms werden hun schilderijen opgesmukt tot objecten (Paladino). Over het algemeen genomen was er sprake van een cryptische beeldtaal. In aanvang vormden de ‘oudere’ kunstenaars: Chia, Chucchi en Clemente een categorie van de Jonge Italianen. De jongere garde kunstenaars: Bianchi, Ceccobelli, Dessi en Gallo, vormden een andere categorie die geen gebruik maakte van exhibitionistische expressie.

Enkele exponenten en hun iconografie en semantiek
Ernesto Tatafiore, geboren in 1942 te Marigliano is bezeten van Robespierre, de dubieuze held van de Franse revolutie van 1789 . Hij bestudeert ‘alles’ wat er over hem bekend was. In honderden tekeningen geeft hij veel bijzonderheden weer van Robespierre, meestal van korte aanduidingen voorzien. Vaak zijn het niet meer dan rake krabbels, bijna graffiti, die als een lang stripverhaal worden samengebracht. In de persoon van Robespierre komen problemen van moraal en macht aan de orde en wel in heel absolute zin. Op een aantal tekeningen is te lezen: “La vertu ou la mort” (de deugd of de dood). Er bestaat ook een geheimzinnige relatie tussen Robespierre en grote, uit papier geknipte, vliegtuigvormen (fel geel van kleur) die Tatafiore in een expositie toont. Tatafiore maakte destijds kunsthistoriserend werk met een symbolische lading, mythologisch van inhoud.

Luïgi Ontani, geboren in 1943 te Montovolo, Bologna wordt vooral bekend door zijn performances die hij in vele internationale steden ten beste geeft. Hij treedt ook op in Amsterdam in galerie ‘De Appel’ in 1975, in ‘De Koepelzaal’ in 1977, en in het Stedelijk Museum in 1980. Voor Ontani is zijn eigen lichaam het middel waarmee hij op hoogst persoonlijke wijze tot expressie komt. Hij tekent ook en maakt fotowerken. In Basel exposeert hij Jugendstilachtige tekeningen en in Essen kleurenfoto’s van zichzelf, in de huid van een andere persoonlijkheid; in volmaakte vermomming en identificatie met de uitgebeelde figuur. Ontani is als overwegend symbolistisch van inhoud te beschouwen.

Sandro Chia, geboren in 1946 te Florence beschikt over een levendige verbeelding. Hij refereert bewust aan kunstenaars als Léger, Chagall, Malewitch en De Chirico. Een schilderij kan voor hem, al naar gelang het thema, een eigen ‘maniera’ (gevoelswaarde) vertonen. Hij maakt in zijn schilderijen gebruik van beeldspraak, allegorie en symbolen waarvan de betekenis vaak cryptisch of meerduidig is. Hij is een schilder ‘pur sang’ en zegt: “De schilderkunst is mijn heldin.” Chia is degene die sterk naar voren komt in de figuratieve uitbeelding van zijn onderwerpen.

Mimo Paladino, geboren in 1948 te Paduli, Benevento maakt gebruik van tekenachtige vormen die naar het zich laat aanzien, een privé betekenis hebben. Felle kleuren, blauw en rood, komen veel voor in zijn werk, zoals bij een drieluik, verworven door het Stedelijk Museum Amsterdam, in fel blauw uitgevoerd. Op het oppervlak zijn satyrachtige maskertjes van gips aangebracht met naar beneden gerichte lange voelsprieten. Paladino wekt de indruk, door tegenstrijdige emoties op te roepen, het effect van vitaliteit na te streven.

Enzo Cucchi, geboren in 1950 te Morra d’ Alba, Ancona, is de meest bevlogen schilder onder de Italianen. Hij werkt met felle primaire kleuren in zijn eenzame zeeën en kustlandschappen. Hij stelt meren, bergen, vuurtorens en hoge schoorstenen tegenover heel kleine figuurtjes, honden en vooral langgerekte huizen. Zijn schilderijen doen denken aan nachtmerries gesitueerd in De Marken rondom Ancona, waar hij verblijft. Persoonlijke herinneringen, ervaringen en legenden van deze streek zijn met elkaar verweven in zijn werk. Cucchi’s werk roept associaties op met spontane kindertekeningen maar dan beangstigend.

Francesco Clemente, geboren in 1952 in Napels, is afwisselend werkzaam in Rome en Madras, India. Zijn jaarlijkse verblijf van zes maanden in India is een bewuste keuze: “Ik wil Hindoe zijn!”, In zijn werk is verwantschap te zien met zijn oosterse levenshouding. Hij maakt heel precieze tekeningen met waterverf van duidelijk herkenbare voorwerpen of dieren, verspreid over het papier. Pas in tweede instantie blijkt het één en ander met elkaar in verband te staan. Hij beschouwt zichzelf als een symbolist en heeft een voorkeur voor beeldspraak en allegorie. Er ontstaat een grote reeks aan zelfportretten in olieverf, emotioneel geschilderd. Ze gaven veel verschillende stemmingen weer. Hij maakt ook gebruik van de oude frescotechniek. In een groot drieluik geeft hij een persoonlijke confrontatie met zichzelf weer (collectie Stedelijk Museum in Amsterdam). Clemente koestert geen technische stilistische pretenties en schildert er onbekommerd op los.

Nicola de Maria, geboren in 1954 in Foglianise is van huis uit medicus en leeft in een universum dat hij vanuit concentratie en meditatie vormgeeft; muzikaal en poëtisch. Als een ‘ziener’ verbeeldt hij een eigen wereld van licht en hemellichamen die soms op dieren lijken. Vooral zijn tekeningen geven daar een prachtig beeld van. Hij kan een zaal als intensiteit opvatten, waarvan acte in Basel en Essen, intens blauw beschilderd als zijnde een omvattende nachthemel waaraan goudkleurige halve manen zichtbaar zijn. Er is een sterke overeenkomst met een werk van Paladino, Rosso Silentio (vol met sterren), een teken dat de pretentie van individualiteit niet helemaal opging. De Maria is, over het algemeen genomen, grootschalig bezig in het benutten van de totale ruimte.

Ook Domenico Bianchi, Guiseppe Gallo, Bruno Ceccobelli, Gianni Dessi wil ik niet ongenoemd laten. Gezien de grote diversiteit van werken zal een ieder in dezen, op zijn merites beschouwd moeten worden en daarin wijken de Jonge Italianen af van die Neue Wilden. Zowel qua vorm als inhoud kun je niet spreken van een stijlvastheid zoals in de jaren vijftig en zestig. Er is een andere samenleving ontstaan, los van alle avant-garde, gericht op het innerlijke van het individu zelf. Revolutionaire veranderingen zijn er niet in de eerste plaats, het handelt niet om grote woorden en/of idealen. De subjectieve benadering van de Jonge Italianen roept een gevoel op van beleven en nadenken. De ongedwongen manier van werken, zonder door techniek bepaalde remmingen, maakt het mogelijk om daardoor veel directer en gevoelsmatiger toegang te vinden tot eigenzinnigheid. Spontaniteit voert de boventoon en dat gekoppeld aan het cryptische, is juist de beste typering van de zeggingskracht van de Jonge Italianen.

Geraadpleegde literatuur:
Achille Bonito Oliva, The Italian Trans-Avantgarde (2e editie september; Milaan 1981).
W.M. Faust, ‘Arte Cifra?, Neue Subjektivität?, Trans-avantgarde?’ In: Kunstforum 39 Italienische Kunst Heute 3 (1980) pp.161-171.
J.Ch. Ammann, ‘Was die siebziger Jahre von den sechzichern unterscheidet: Der Weg in die achtziger Jahre’. In: Kunstforum 39 Italienische Kunst Heute 3 (1980) pp.172-184.
Jean-Christophe Ammann, Margrit Suter red., Jonge Italianen: Sandro Chia, Francesco Clemente, Enzo Cucchi, Nicola De Maria, Luigi Ontani, Mimmo Paladino, Ernesto Tatafiore, tentoonstelling Stedelijk Museum Amsterdam (1980).

Bookmark and Share

Harry Druijf is beeldend kunstenaar. Hij studeerde vrije grafiek aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Onderwerp van zijn afstudeerscriptie was: De jonge Italianen. Zijn werk is te bekijken op www.druijf.com

  

Er zijn nog geen reacties

Hier graag uw bericht




?
? ?
?

Powered by TalkBack