De VAC–VROUW in de Utrechtse woningbouw
Door Ans van den Berg – van der Hout
“Samen werken, samen leven” is het motto van ons huidige kabinet. Dat dit geen nieuwe gedachte is, bewijst de geschiedenis van onze sociale woningbouw. Al meer dan een halve eeuw werken de VAC’s (Vrouwen Advies Commissies) samen met diverse personen en instanties aan de verbetering van huisvesting voor alle inkomensgroepen. Als vrijwilligersorganisatie roeiden deze commissies vaak tegen de stroom in. De geschiedenis van de VAC–Utrecht is hier een illustratie van.
Vrouwenadviescommissies ontstonden uit de doodgewone behoefte van enkele vrouwen de dagelijkse woonomgeving van de mens prettig, praktisch bewoonbaar te maken. Zij voelden zich verantwoordelijk en kozen een vorm om daar daadwerkelijk van de basis af haar huisvrouwelijk – technische ervaring en vaardigheid in te voegen.
Zo karakteriseerde mevrouw ’s Jacob – Goddard, VAC-lid te Rotterdam, dat prille begin in 1946. Het was de eerste naoorlogse VAC en zij groeide uit tot een commissie waarin vrouwen met bouwtechnische kennis zitting hadden. Elke vrouwenorganisatie had haar afgevaardigde in de VAC; zij stond open voor alle gezindten en politieke overtuigingen. Alle zuilen waren in de commissie vertegenwoordigd, want, zo stelde men, Het ging om het huisje, niet om het kruisje. Dit werd de basis van de VAC’s, samenwerking op zoveel mogelijk fronten. Dat was bijzonder, want in onze verzuilde samenleving was samenwerking op deze basis zeker geen regel. Begin jaren ’60 waren er in Nederland ongeveer 80 VAC’s. Twee derde daarvan werd door B&W geïnstalleerd. Het initiatief werd vaak genomen door de NVvH (Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen).
De VAC–Utrecht, opgericht in 1952 als Huisvrouwen Bouw Advies Commissie, werd toegevoegd aan de Utrechtse gemeentelijke Bouw– en Woningdienst. De directeur van deze dienst, de heer W. Janssen, werd dus voorzitter van de HBAC, een aanduiding die hij tot 1968 gebruikte. Een Huisvrouwen Bouw Advies Commissie, die een man als voorzitter had, dat maakte me nieuwsgierig. Want, hoe verliep de samenwerking tussen de commissie en haar voorzitter? Janssen was een kleine man met een grote snor, in de volksmond: Janssen-snor. De HBAC werd in die periode wel gekscherend de ‘harem van Janssen-snor’ genoemd. Over een woningbouwcomplex in Utrecht zei hij in het Utrechts Nieuwsblad van 1975:
Ik heb er een vrouw opgezet. Ik vind namelijk dat vrouwen iets verfijndere gevoelens hebben als ze in ’t technische vlak zitten. Iets meer gevoel voor waarden.
Samenwerken
VAC-leden waren deskundig in het huishouden, maar bouwdeskundigheid hadden vrouwen in deze periode zelden, en dat werd door de Gemeente Utrecht ook niet op prijs gesteld. De VAC-vrouwen werden voorgelicht door de voorzitter, in een latere fase ook door de Nationale Huishoudraad (samenwerkende vrouwenorganisatie ten behoeve van huisvrouwen) en de Stichting Goed Wonen Incidenteel ging men onder leiding van de voorzitter op excursie naar een complex woningen in aanbouw.
De commissieleden woonden in de betere buurten van Utrecht en hadden een echtgenoot met een baan op respectabel niveau. Er was een hoogopgeleide vrouw bij, zij was juriste.
Naoorlogs wonen in Utrecht
In Utrecht was na WOII de woningnood schrikbarend hoog. Er was een bevolkingstoename van ruim 18.000 inwoners van 1940-1947, terwijl het aantal beschikbare woningen met 116 was gedaald. Inwoning was norm, zeker onder de arbeiders. In de woningbouw werd gewerkt met rationalisering en kwantiteit. Toch paste men ook nieuwe concepten toe; de Utrechtse wijk Hoograven, in de jaren 50 ontworpen door de architect Rietveld, is er een mooi voorbeeld van. Directeur Janssen was toen al enkele jaren in dienst bij de Utrechtse Bouw en Woningdienst.
VAC-Utrecht aan het werk
Tijdens een vergadering signaleerde de VAC bij een complex flatwoningen in de nieuwe wijk Overvecht 2.20 m. hoge waslijnen op het balkon. Volgens haar voorzitter maakte de naar buiten draaiende deur dit noodzakelijk. De VAC kwam met diverse creatieve oplossingen, die allemaal werden verworpen. Het een was te duur, het ander esthetisch niet verantwoord.
Het VAC-advies betrof tevens de bezonning, door het gebouw te draaien zou het gunstiger ten opzichte van de zon komen te staan. Het waslijnenprobleem werd, ook in een volgend complex, niet opgelost, de gunstiger zonligging wel.
In de vroege jaren 70 werd de roep om inspraak overal gehoord en ook de VAC-Utrecht roerde zich. Zij miste een duidelijke functie: ‘zodat zij het gevoel kan hebben mee te doen.’ De VAC timmerde dus aan de weg en voerde overleg met diverse instanties. Tevens hield zij interne vergaderingen en leerden haar leden vergadertechnieken om professioneler te kunnen werken. Zij werd een krachtiger onderhandelingspartner, en accepteerde niet alles meer. Zo verweet de VAC haar voorzitter dat de notulen zonder overleg naar B&W werden verzonden. Het meningsverschil kon pas na een pittige discussie worden rechtgezet in een compromis: de notulen zouden door beide partijen apart worden gecorrigeerd en pas na beider goedkeuring verzonden.
Voor directeur Janssen werd alles er niet gemakkelijker op, want ook de bewoners werden mondiger. Zo werden in de Utrechtse Fruitbuurt door de BWD 50 woningen gebouwd. Daar waren zoveel klachten, dat de eerste bewoners dreigden de verdere bouw ‘plat te leggen’ als niet onmiddellijk werd ingegrepen door de BWD. Directeur Janssen kon ter plekke alleen maar constateren dat de bewoners gelijk hadden, maar hij nam zich voor
in ieder geval de VAC, die de gemeente over woningbouw adviezen verstrekt, naar deze woningen te laten kijken. Zij kunnen nog veel leren van de hier gemaakte fouten.
In dezelfde periode waarschuwde de voorzitter zijn commissie,
dat de “invloed” en betekenis van de VAC in het bijzonder door sociologen in twijfel getrokken werd. Reden is onbekendheid met de werkelijk werkende commissies en een zekere aversie tegen het “elitaire” van het gebeuren.
Een VAC–lid stelde nuchter voor:
Laten we een socioloog als nieuw commissielid uitnodigen.
De voorzitter ging er niet op in.
Samenwerking in Lunetten
In 1975 ging directeur Janssen met pensioen. Een aantal oudere VAC-leden trok zich terug en enkele nieuwe commissieleden, waaronder een bouwkundige, dienden zich aan.
Ruim een jaar later werd de VAC betrokken bij de plannen van de nieuw te bouwen wijk Lunetten, een plan met een deels experimenteel karakter.
Via een inspraakprocedure kregen de toekomstige bewoners de kans hun huis geheel naar eigen inzicht in te delen. Basis van dit plan was het systeem van gescheiden drager en inbouw, een concept van de beroemde Frans–Zwitserse architect Le Corbusier. Prof. Habraken van de Technische Hogeschool in Delft had dit concept verfijnd en architect Van der Werf, leerling van Habraken, had zich er vol enthousiasme op gestort.
Nieuw was het flexibele inbouwpakket met verplaatsbare wanden, keuken, deuren, badkamer en toilet. Wanden en deuren werden tussen vloer en plafond geklemd en vastgezet met isolatieband. De keuken – en badkamervloer stonden op staanders en waren voorzien van leidingen en diverse T – stukken. Daardoor konden douche, toilet en keuken op verschillende plaatsen worden aangesloten. De firma Bruynzeel zou het inbouwpakket leveren, inclusief de technische installatie.
In Papendrecht en Dordrecht was zo’n project al gerealiseerd en Lunetten zag men als vervolg daarop. Het ontwerp maakte kans op extra subsidie voor experimenteel bouwen vanwege de bouwconstructie en de diversiteit van de toekomstige bewoners. Zo kwamen er onder meer gezinnen, jongerenhuisvesting, studentenwoningen en groepswoningen in voor. Bovendien honoreerde men hiermee de vraag naar inspraak.
Begin 1977 bezocht de VAC het complex in Papendrecht en constateerde nogal wat gebreken. Het was een lange lijst, waarbij de gehorigheid als een van de belangrijkste klachten werd gezien. De VAC-bezwaren werden door de architect weerlegd: nieuwe technische materialen zouden deze klachten oplossen. De VAC was niet echt overtuigd, maar zij gunde het projekt het voordeel van de twijfel.
De bouw was in volle gang toen de eerste problemen zichtbaar werden: dreigend faillissement van de firma Bruynzeel, een inzakkende economie, stijgende bouwkosten, oplopende rente en toenemende inflatie. De woningen in Lunetten waren vrijwel onverkoopbaar geworden. Enkele koopwoningen werden omgebouwd tot premiehuurwoningen, en gezinswoningen werden omgebouwd tot groepswoning. De VAC had haar twijfels, vooral ten aanzien van de gehorigheid in de groepswoningen door de dunne Bruynzeel-wanden. Zij bezocht de Bruynzeelfabriek, en kwam terug met het hoofd vol vragen:
Men verzekerde ons dat de huizen niet of bijna niet gehorig zijn, zeker niet meer als in traditionele bouw.
In 1981 toog de VAC naar Dordrecht, waar de woningen reeds bewoond werden. De klachten waren er zo talrijk, dat het de commissie haast ondoenlijk leek alles op te noemen. Algemene klacht was de gehorigheid:
door de binnenwanden kan men letterlijk alles verstaan. Staat de wasmachine boven aan, dan zit men te schudden in de kamer.
Bruynzeel garandeerde uiteindelijk, na TNO -onderzoek, dat door verbeteringen van het pakket de problemen tot het verleden zouden behoren. Eind 1982 ontving de VAC een klachtenbrief. Een bewoonster kwam tot de ontdekking dat zowel boven als beneden in de hal geen wandcontactdozen aanwezig waren. De opzichter stelde dat ‘ de vrouwenadviescommissie “op handen en voeten door de huizen gekropen waren” maar niets hadden gevonden. Ik moest maar een verlengsnoer gebruiken.’
De VAC antwoordde:
Wij hebben als VAC inderdaad Uw woning bekeken toen hij KLAAR was. Dan is er dus aan plaatsing van wandcontactdozen al niets meer te veranderen. Dat wij de woningen hebben bekeken betrof het wandeninbouwpakket van Bruynzeel, geplaatst zoals U dat zelf wilde hebben. Wij proberen steeds weer bestektekeningen ter inzage te krijgen. Maar de medewerking van de Dienst Bouwen en Wonen is in deze niet erg groot. Met Uw brief in de hand zullen wij dit op de volgende vergadering bij de dienst weer aankaarten.
Het mocht echter niet baten, de VAC was en bleef de laatste schakel in het bouwproces. Volgens Lunetten BV: ‘Zo laat mogelijk.’
Bij de Stichting Wonen 2000, beheerder van de woningen, regende het inmiddels klachten, waarbij vooral de gehorigheid opvallend vaak terugkwam. Ondanks pogingen van de beheerder om de klachten te verhelpen, bleef de gehorigheid bestaan. Zo klaagde een bewoner zijn nood:
Het was en is gehorig. Je kunt niet werken in je kamer als mensen naast je eten koken of de was doen, want dat hoor je. Je kunt niet slapen als in de kamer naast je mensen praten, want dat hoor je. Je kunt het horen als iemand naar de WC gaat.
De geluidsisolerende maatregelen waren zo kostbaar, dat men deze slechts in enkele gevallen heeft kunnen toepassen. Als in een eerder stadium de adviezen van de VAC waren meegenomen, had men dit wellicht kunnen voorkomen.
Samenwerking en emancipatie
Intussen werd de samenwerking tussen VAC en DBW moeizamer. Een eigen gezicht als gezaghebbende partij had de commissie nog steeds niet ontwikkeld. En dat, terwijl haar adviezen het project veel meerwaarde hadden kunnen opleveren.
Toch liet zij zich niet helemaal wegdrukken en drong aan op een gesprek. Ze wilde weten waarom zij niet betrokken werd bij nieuwbouw, restauratie en renovatie. Uiteindelijk werd de zaak telefonisch geregeld: de commissie zou de te beoordelen tekeningen periodiek bij de Dienst Bouwen Wonen ophalen en terugbrengen. Het bleek een constructieve methode.
Rond 1980 ging de VAC zelf actief leden werven in plaats van deze aan te vragen bij een van de vrouwenorganisaties, zoals gebruikelijk. Het stuitte op weerstand bij de Nationale Vrouwen Raad Utrecht (NVRU), maar de commissie zette door. Eind jaren ’80 woonden haar leden verspreid door de stad, als resultaat van een gericht, slim beleid. Zo kon zij beter inspelen op projecten aangaande renovatie en stadsvernieuwing en de betrokkenheid en beleving van de bewoners daarin. Haar samenstelling werd daardoor pluriformer en het beeld van de beginfase, de dames uit de gegoede kringen, was voorgoed verleden tijd. Maar emancipatie of niet, rond het jaar 2000 stelt de VAC–Utrecht nog steeds: ‘we zijn een consensusclub.’
Samen werken, samen leven, het is een oud, maar bruikbaar concept. Dat wordt echter pas constructief als er echt en welwillend naar elkaar geluisterd wordt. Als de Utrechtse beleidsmakers bij de bouw van de wijk Lunetten beter en eerder naar haar VAC geluisterd hadden, zou veel mensen een hoop ellende bespaard zijn gebleven. Bovendien zou het ook nog een stuk goedkoper zijn geweest. En zeg nou zelf, wie wil dat nou niet?
Ans van den Berg–van der Hout is MA Algemene Cultuurwetenschappen. Ze rondde haar studie af met een onderzoek naar de invloed van de Vrouwenadviescommissie (VAC) op het Utrechtse volkshuisvestingsbeleid van 1952–2000. Na haar studie was zij van 2001- 2003 werkzaam als AIO (Assistent in Opleiding) bij de Universiteit Twente, faculteit Filosofie, Wetenschap en Techniek. Haar onderzoeksopdracht was: Diversiteit in Domesticatie van Digitale Diensten. Dit promotieonderzoek betrof diversiteit in gebruik van computers in thuissituaties.
Allereerst dank voor jullie reacties! En excuses dat ik nu pas reageer. Peter, inmiddels zul je begrepen hebben dat de VAC als organisatie nog steeds bestaat. Veel leden van de plaatselijke VAC’s, waar ik mijn verhaal gehouden heb, herkenden de geschetste problematiek. Wel is de samenstelling van zo’n VAC meestal veranderd: haar leden zijn vaker bouwkundig geschoold en daardoor slagvaardiger. Maar nog altijd staat dienstbaarheid aan de gebruiker voorop.
Wat goed dat de tweede reactie, Middelburg4, een link toevoegde, waar je de antwoorden op je vragen kunt vinden. Jammer dat ik daar zelf niet aan gedacht heb. Maar uiteindelijk, ik vind deze reacties wel zo leuk.
Nogmaals, bedankt!
Groet, Ans
De vragen van Peter vond ik ook relevant. Ik ken de organisatie van de VAC slechts zijdelings. In deze bijdrage is de moeizame relatie met het bouwteam, het gevecht om subsidies, de erkenning van de invloed op het uiteindelijke resultaat moeiteloos te herkennen.
Ik was ook benieuwd naar de huidige status van de VAC.
Misschien een volgende keer links toevoegen?
Hallo Ans,
Als voormalig bouwkunde student vind ik dit soort verhalen heel interessant. Ingenieurs en architecten hebben altijd moeite met inspraak van bewoners/gebruikers van hun maaksels. Ik heb veel ontwerpen gezien (bouwkundig en waterbouwkundig) waarin de eisen van de gebruiker niet door de ontwerper serieus worden genomen.
Bestaat de VAC overigens nog? Hoe kan de VAC als fenomeen sociologisch gezien worden?
Peter

