Beleef je meer bij een boek dan bij een film?
Door Karin Ruisch
Ik ben dol op verhalen. Die vind ik in even grote mate in films en in romans. Tijdens het lezen voor het vak Literaire cultuur aan de Open Universiteit, stuitte ik op een artikel van Wolfgang Iser ‘ Het leesproces, een fenomenologische invalshoek’. Dat deed mij beide processen, het lezen van literatuur en het kijken naar film met elkaar vergelijken. Wolfgang Iser maakt verschil tussen literatuur en film in hun werking op de lezer respectievelijk de kijker. Ik wil hier zijn zienswijze uiteenzetten en kritisch onder de loep nemen.
Wolfgang Iser
Wolfgang Iser heeft een theorie ontwikkeld over hoe lezers met een tekst omgaan. Hij stelt dat een tekst de lezer aanzet tot zelfwerkzaamheid, tot betekenis geven aan de tekst. De lezer kiest uit de meervoudige betekenissen van een tekst. Dat is ook zo in het dagelijks leven, waarin wij ook betekenis geven aan onze waarnemingen.
Om betekenis te geven maken we gebruik van conventies (afspraken) over welke betekenis we aan welke waarnemingen geven. Bijvoorbeeld: een verkeersbord zegt ons hoe we ons in het verkeer hebben te gedragen of we stellen ons bij de letters ‘k’, ‘i’ en ‘p’ meteen een beeld van een kip voor. Literatuur zet deze conventies op zijn kop, plaatst ze in een nieuw licht, zodat we nieuwe betekenissen ontdekken, construeren.
In het dagelijks leven gaan we in ons denken heen en weer tussen voorstellingen die we van de wereld om ons heen hebben en de wereld zoals hij zich aan ons voordoet. Door dit afwisselen stemmen we onze voorstelling van de wereld af op de wereld zoals hij zich aan ons voordoet. Een boek dat we lezen roept in ons een voorstelling op van de wereld, die in dat boek beschreven is. In de semiotiek (leer van de tekens en van tekensystemen) wordt dat de iconische functie van een tekst genoemd: de tekst verwijst naar onze alledaagse ervaring. In navolging van Roman Ingarden, die Husserls fenomenologie heeft uitgewerkt voor de literatuurwetenschap, spreekt Wolfgang Iser van de ‘Unbestimmtheit’van een tekst. Hij bedoelt dat de tekst van een roman een beroep op ons doet om betekenis te construeren uit het beeld dat in de tekst via beschrijvingen van de wereld wordt opgeroepen. We toetsen dat beeld aan onze eigen verbeelding van die wereld. Een roman of literair werk biedt hiertoe de mogelijkheid omdat bijvoorbeeld uit een beschrijving van een scène in een roman op vele manieren een beeld valt op te bouwen, dat meerdere betekenissen kan hebben. Als lezer kiezen we een betekenis die aansluit bij de conventies die we kennen en die het meest dichtbij ons eigen bewustzijn staat.
Het leesproces
Wolfgang Iser schetst eerst hoe de tekst tot stand komt op het snijpunt van de artistieke pool, zoals door de auteur gecreëerd en de esthetische pool, zoals de lezer de tekst concretiseert door zich er een beeld van te vormen. Dat betekent dat per lezer en per lezing de tekst steeds opnieuw een andere betekenis krijgt.
Hij beschrijft hierna hoe dit in zijn werk gaat. De lezer bouwt met elke zin en elke alinea een beeld op, dat een herinnering vormt waartegen de opeenvolgende zinnen en alinea’s geplaatst worden en een verwachting oproepen naar wat komen gaat. Zo rijgt zich het ene gevormde beeld aan het andere, geplaatst tegen de herinneringen aan het voorafgaande in de tekst en de daardoor steeds opnieuw opgeroepen verwachtingen. De lezer stemt steeds zijn betekenis af op de betekenissen die hij al gevormd heeft.
Dat dit steeds anders verloopt, merk je als je een tekst voor de tweede keer leest. Er vallen je dingen op die je de eerste keer over het hoofd zag, omdat je drukdoende was je een beeld te vormen. Bij de tweede lezing legt zich de tekst over dit eerste beeld heen en wijkt daarvan af. De tekst maakt dit mogelijk omdat het ondoenlijk is om iets volledig, tot in alle details te beschrijven. Dat betekent dat de tekst leemtes vertoont. Dit doet een beroep op de lezer om die leemtes in te vullen. Sterker, hoe meer weggelaten wordt, hoe meer we ons moeten verbeelden om een kloppend, samenhangend beeld in ons hoofd te creëren. Tegelijkertijd speelt een tekst met de gevormde verwachtingen door onverwachte wendingen, die het voorgaande in een nieuw daglicht stellen.
Dan koppelt Wolfgang Iser het lezen van een roman aan de verfilming ervan om duidelijk te maken, dat dit proces bij film niet speelt. Het verbeeldingsproces is dan al gebeurd. De film biedt de beelden aan en sluit zo de lezer, nu kijker geworden, buiten. Als kijker ben je toeschouwer en wordt er geen beroep meer gedaan op het verbeeldingsproces, zoals dat bij lezen plaatsvindt.
In een volgende alinea haalt Wolfgang Iser E.H. Gombrich aan, die dit proces dat oorspronkelijk zich voordeed bij literaire teksten, toepaste op de analyse van beelden in zijn boek Art and Illusion. Het is opvallend dat hij Gombrich aanhaalt, die een verband legt tussen de werking van literatuur op een lezer en de werking van het kunstwerk op een kijker. Iser geeft hier dus indirect aan dat beide processen, het lezen van een literair werk en het kijken naar kunst een vergelijkbaar proces in werking zetten. Hij zet dit daarna uiteen, maar past het alleen toe op literatuur. Betekenis geven aan een tekst of beeld vindt plaats in de geest van de lezer of kijker, die uit de verwachtingen een illusie schept. Deze illusies zijn niet in het kunstwerk of de tekst te vinden. Het kunstwerk of de tekst brengt wel dit proces teweeg. Zoals hierboven ook aangegeven, test de lezer zijn gevormde illusies aan de volgende passages, die hij leest. Zo gaat de lezer heen en weer tussen illusie vormen en ‘waarnemen’ van de tekst, de concretisering. Wolfgang Iser vat dit samen in: “De betekenis van het werk heeft dus zelf het karakter van een gebeurtenis en omdat we deze gebeurtenis als het bewustzijnscorrelaat van de tekst tot stand brengen, beleven we de tekst als werkelijkheid.”.
Hierna gaat hij door op het feit, dat wij al lezende stuiten op de discrepantie tussen ons betekenisproces en de wendingen die de tekst neemt en die onze betekenis in problemen brengt. Dit maakt dat wij de betekenis moeten herschikken om tot een nieuw consistent beeld te komen. Door dit proces raken we ‘verstrikt’ in de tekst (een uitspraak van Wilhelm Schapp). We gaan de tekst beleven als het ‘heden’. We schuiven onze eigen ideeën en opvattingen over en daardoor wordt het lezen van de tekst een ervaring. Er gebeurt ‘iets’ met ons. Iser gaat verder niet in op de overeenkomsten tussen de beide processen, het kijken naar beeldende kunst of het lezen van een literair werk.
Overeenkomst tussen lezen van literatuur en kijken naar film
Ik ben het niet eens met de visie van Wolfgang Iser dat film als medium de kijker buitensluit en geen betekenisproces in de kijker aan het werk zet.
De werking van film op de kijker komt overeen met de werking van een literair werk. Bij het kijken naar film, misschien zelfs sterker nog dan bij het lezen van een literair werk gaat de kijker op in het vertoonde en wordt het verhaal een gebeurtenis en een ervaring van het ‘heden’. Des te sterker gebeurt dit bij het bekijken van een film in de bioscoop, waar het donker het scherm tot de enig mogelijke waarneming maakt. We passen de beelden in onze voorstelling van de wereld in, scheppen een beeld en verwachten op basis van dit beeld het vervolg van de film die ons dan vaak dwingt om het beeld te herzien. De slechterik blijkt toch een klein hartje te hebben, de vermeende dader blijkt juist een slachtoffer van opzet te zijn, als we een populair genre als de misdaadfilm als voorbeeld nemen.
Zoals bij een boek de lezer zijn bewustzijn ‘uitleent’ aan de vertelling, zo wordt het bewustzijn van de kijker in beslag genomen door het verhaal in beelden van de film. Dit wordt ondersteund door Barend van Heusden in het Handboek Literaire Cultuur:
..film is in de contemporaine cultuur het medium, waarin….eenplaatsige tekens overheersen- en dan met name de film in de bioscoop, omdat daar, veel sterker dan wanneer een film op de televisie wordt vertoond, het besef dat we met tekens te maken hebben, wordt opgeheven. We vergeten dat het hier toch ook een voorstelling betreft.
Hij maakt hier een verschil tussen de film, waarin éénplaatsige ofwel iconische tekens gebruikt worden en literatuur waarin drie soorten tekens gebruikt worden:
- iconische (rechtstreeks de werkelijkheid weergevend)
- symbolische (via codes en conventies de werkelijkheid weergevend)
- indexicale (refereren aan de werkelijkheid door via een deel het geheel op te roepen, of een schets of schema van de werkelijkheid te gebruiken).
Barend van Heusden verwijst nog een paar maal naar de overeenkomsten van het voorstellingskarakter van literatuur met dit karakter van een toneelstuk of cabaret. Hij stelt: ‘Literatuur berust dus ook altijd op akoestische en visuele beelden.’ (Handboek, p.49). Later gaat hij in op het bij de voorstelling betrokken worden van de lezer door het iconische karakter van literatuur en trekt hij een vergelijking met het kijken naar een toneelstuk. Als toeschouwer bij een toneelstuk vergeet je de ‘ echte’ wereld en ga je op in de wereld van het toneelstuk, zoals je opgaat in de wereld die opgeroepen wordt door het lezen van een literair werk. (Handboek, p.54) Net als Gombrich trekt ook Barend van Heusden een vergelijking tussen het kijken naar beelden en het lezen van een literair werk. Beiden schetsen het proces dat bij kijker en lezer in werking wordt gezet om zich een voorstelling te vormen en mee te leven met de opgeroepen gebeurtenissen. Deze vergelijkingen worden getrokken bij de éénplaatsige of iconische tekens die een beeld van de werkelijkheid oproepen in literatuur, kunst en bij toneel. Het kijken naar film vertoont grote overeenkomsten met het kijken naar een toneelstuk. Hetzelfde proces als bij het lezen van een literair werk treedt dus ook in werking bij het kijken naar film. Het zou interessant zijn om te onderzoeken hoe iconische tekens in film ook codes en conventies vertonen; hoe ze refereren aan de werkelijkheid door slechts een deel ervan te tonen; hoe ze aanzetten tot een proces van betekenis geven aan de werkelijkheid.
Verschil blijft wel dat literatuur uit geschreven taal bestaat en film uit beelden. Dit maakt dat er een stap voorafgaat aan lezen in verhouding tot het kijken naar film. Eerst moet je de stap maken van de letters, woorden en zinnen naar in je bewustzijn gevormde beelden. Het verschil is dus, dat je bij lezen je eigen beelden vormt en bij de film de beelden voor je gevormd worden. Het proces van betekenis geven dat daarna volgt, lijkt mij hetzelfde voor de kijker als voor de lezer. Via de gecreëerde bewustzijnservaring, maak je gebeurtenissen mee, die je een plaats geeft in je belevingswereld. Je gaat op in het verhaal voor de duur van de film.
Een lezer heeft meer vrijheid om het beeld dat hij opbouwt tijdens het lezen te vormen naar zijn eigen inzichten. De kijker krijgt voorgevormde beelden en neemt die voor wat ze zijn. Hierdoor refereert film meer aan de werkelijkheid dan een literair werk doet. De impact van een gewelddadige handeling is daardoor in film groter dan bij het lezen van een boek: het gebeurt voor je ogen in plaats van in je hoofd.
De kijker naar een film is meer bezig met de mentale processen te destilleren uit de voorgevormde beelden. Dit heeft een overeenkomst met betekenisgevende processen in alledaagse communicatie, waarbij we ook emoties aflezen aan de gezichten van de mensen om ons heen en een inschatting maken van hun beweegredenen. We verplaatsen ons in de karakters van de getoonde of beschreven personages en beleven hun gevoelens. Hoe goed we dat kunnen doen hangt af van de overeenkomst van onze eigen belevingswereld met de voorgevormde wereld in de film of de beschreven wereld van het boek. Hoe meer de gebeurtenissen herkenbaar zijn in ons eigen leven, hoe sterker de inleving in de getoonde of beschreven wereld.
Het maakproces van film en literatuur
Een ander verschil tussen een film en een boek is de voorgeschiedenis. Een literair werk kent één schrijver, die via een uitgeverij zijn boek aan het publiek schenkt. Hij geeft de gedachten vorm in een besloten omgeving. De verbeelding is van zijn of haar hand, de logistieke uitvoering is van de uitgever.
Film echter is een coproductie van een producer, regisseur, een scriptschrijver en acteurs. Verder is het maken van een speelfilm als een goedlopende fabriek. Er komen ongelofelijk veel technici van onder andere muziek, geluid, beeld, decor en kostuums bij kijken. Het gestalte geven aan het verhaal is het werk van veel mensen. De regisseur kun je zien als dirigent van een orkest, waarbij de acteurs de solisten zijn en de scriptschrijver de componist. Wat dat betreft is het wel zo efficiënt om het gestalte geven aan een verhaal zich in het bewustzijn van een lezer te laten afspelen. Het scheelt aanmerkelijk veel tijd en energie.
Een film begint zijn leven eigenlijk als een vorm van literatuur. Het begin van een film bestaat na het besluit ertoe op grond van een idee, afkomstig van producer of regisseur, in het maken van een filmscript. Het meest opvallende verschil tussen een filmscript en een literair werk is het schematische karakter. Er wordt geschreven in filmscènes en dialogen met de houdingen en plaatsen van de acteurs ten opzichte van elkaar als regieaanwijzingen er tussen door. Daarna wordt de volgende stap gemaakt en wordt het script uitgewerkt in een storyboard. Het is opvallend dat beide woorden refereren aan literatuur. ‘Script’ verwijst naar schrijven en ‘storyboard’ verwijst naar verhaal. De nadruk ligt op handeling in plaats van op bewustzijn bij het maken van een script, want er moet iets zijn om naar te kijken. Bij film wordt een vertaalslag gemaakt van gevoelens en gedachten in beelden.
De vertaalslag die plaatsvindt bij literatuur is echter het vertalen van beelden in woorden. Toch is ook een literair werk gericht op handeling, want het verhaal krijgt vorm in de alledaagse belevingswereld van personen, die niet zonder handeling kunnen. Bij literatuur kunnen echter mentale processen gemakkelijk vorm krijgen via droom, fantasie en beschreven gedachten. De film heeft daarvoor filmische hulpmiddelen nodig om onderscheid te maken tussen gebeurtenissen en mentale processen als fantasieën en dromen. Denk bijvoorbeeld aan flashbacks of anders gekleurde fantasieën in film. Beide media, film en literatuur, maken dus gebruik van handeling en mentale processen, maar ondervinden verschillende soorten problemen bij het vorm geven ervan.
Het komt vaak voor dat de oorsprong van het verhaal in een speelfilm een literair werk is. De basis voor het script is dan al gegeven en de structuur voor het storyboard soms ook. Als een roman veel succes heeft, is verfilming een kroon op het werk. Toch oogsten dit soort films veel kritiek. De kritiek komt zowel van lezers als van de schrijver. De kritiek bestaat er meestal uit dat essentiële betekenissen niet uit de verf komen of dat de rode draad in het boek geweld is aangedaan. Ook lijken de personages, schijnbaar in vlees en bloed, minder inhoud te hebben dan hun vergeestelijkte tegenhanger in de roman.
Samenvattend hebben film en literatuur veel overeenkomsten in hun werking op de lezer en kijker, maar zijn er verschillen in de start van het proces van betekenisgeving. Zowel bij het lezen als bij het kijken leeft de lezer, respectievelijk de kijker zich in het verhaal in en geeft betekenis aan de verbeelde werkelijkheid tegen de achtergrond van zijn eigen bewustzijn. Bij het boek start dit proces eerst met het vertalen van het geschrevene naar beelden. Het lezen geeft meer vrijheid bij het invullen van de beelden uit de beschrijving.
Bij film zijn de beelden vormgegeven en houdt de kijker zich meteen bezig met de mentale invulling van de gebeurtenissen, het direct meeleven met en inleven in de getoonde beelden. De werkelijkheidsillusie is bij film, zeker in de bioscoop, groter. De intensiteit van de ‘waarneming’ is echter groter en compacter. Het hele verhaal gebeurt voor je ogen en in, pakweg, twee uur tijd, terwijl het lezen van een roman zich meestal verspreid over meerdere dagen en zich tussen alledaagse bezigheden doorvlecht.
Bij het verfilmen van succesvolle romans botsen beide processen van verbeelding op elkaar. De beelden kloppen niet met elkaar. Vooral een lezer, die kijker wordt van hetzelfde verhaal heeft daar last van. Hij merkt de verschillen tussen zijn eigen beleving en beeldvorming van het verhaal met de vormgeving ervan in de film. Veel minder is bekend of er verschil zit in het lezen van de roman ná het zien van de verfilming ervan. Mijn vermoeden is dat het lezen na het kijken van een roman minder problemen oplevert, omdat je dan de beelden uit de film verwerkt in het beeld dat je al lezend vormt. Het beeld wordt dan misschien verrijkt met de mentale processen die de film niet kon omzetten in beelden.
Bij een boek beleef je via de woorden je eigen verbeelde werkelijkheid. Bij film beleef je via de beelden je eigen verbeelde gevoelens en gedachten!
Literatuur
Wolfgang Iser, Het leesproces. Een fenomenologische invalshoek in Tekstboek literaire cultuur, red. Barend van Heusden e.a. (Nijmegen 2001)
Barend van Heusden, Handboek literaire cultuur (Nijmegen 2001)
Karin Ruisch is stedeling in hart en nieren. Na haar gymnasium deed zij een opleiding aan de sociale academie en heeft zij gewerkt bij een crisiscentrum en als gezinsbegeleidster bij gezinnen met veel problemen. In 1999 stopte ze met werken om zichzelf verder te ontplooien. Sinds 2003 studeert ze cultuurwetenschappen waar ze over anderhalf jaar haar bachelor hoopt te halen. Naast haar liefde voor Amsterdam is ze ook dol op lezen, films, dans, kunst en muziek

