Artistieke globalisering treft flamboyante gotiek
Door Christiaan Jacobsen
Het ontstaan van kunststromingen hangt samen met de internationale politiek, economische vooruitgang en culturele uitwisselingen. Om met een politiek aspect te beginnen: voor studenten was het een voorrecht aan de universiteit van Leuven te kunnen studeren. De universiteit, in 1425 gesticht, leverde de eerste juristen af, die de hertog bijstonden bij het bestuur. Weldra werd de universiteit ook een politiek middel om in het buitenland successen te boeken. Ferry de Clugny, belast door Filips de Goede met diplomatieke missies, wist door zijn benoeming tot kardinaal uit Rome privileges te krijgen voor de universiteit. Dankzij deze privileges konden Doornikse studenten studeren in Padua. Als bisschop van Doornik en kanselier van de Orde van het Gulden Vlies wist hij door innige banden met Rome het tot kardinaal te brengen. Dankzij de rechtenstudie die hij in Rome had genoten wist hij door contacten zich omhoog te werken op de sociale ladder. Deze verruimende blik op politiek terrein viel samen met de verspreiding van de internationale gotiek: een ontwikkeling die dankzij een economische herleving plaatsvond in delen van West-Europa.
Ik spreek van een artistieke globalisering die met het internationale handelsverkeer samenviel. Men kan een bijzonder historisch fenomeen constateren, dat op politiek en cultureel vlak een band schiep tussen Bourgondië en Castilië; twee staten die innige relaties onderhielden en op politiek niveau gedurende de vijftiende eeuw toonaangevend waren. Italië was voor deze landen de inspiratiebron. De hoge cultuurverfijning in beide landen kwam tot uiting in een hoofse levensstijl, tegen een decor van draperieën en blazoenen. Een geromantiseerd ridderideaal, tot uiting gebracht in de opmaking in hofkleding, wonderlijke kaproenen en helmen met bizarre pluimen. Dit paste bij een mentaliteit die wezenlijk stoelde op middeleeuwse, vorstelijke en feodale machtsverhoudingen.
Geliefd was de met gouddraad verwerkte tulband die door mannen en vrouwen gedragen werd en van verfijnde luxe getuigde. Die rage was komen aanwaaien uit een verre regio, ergens in zuidelijke contreien. Italiaanse hofschilders als Pisanello wisten dit als onderwerp in hun portretkunst te waarderen.
Ook via andere wegen, zoals de Vlaamse School, waren er contacten met Italië. Jan van Eyck, kunstenaarsdiplomaat van Filips de Goede, schiep het vermaarde schilderij Man met rode tulbandDe hofschilder heeft zich qua kleurgebruik laten inspireren door de Rode Kaproenen, het politiekorps in Brugge, zo genoemd naar de rode hoofddeksels die ze als herkenningsteken droegen. Ook een diplomatieke reis naar het Heilige Land kan van invloed zijn geweest., een zelfportret waarin hij zich tooide met een oosterse kaproen.

Bekend is Van Eyck’s portrettering van de Brugse zakenman Giovanni Arnolfini, bankier van Filips en raadsheercommissaris bij de Grote Raad, samen met zijn jonge vrouw. Dit huwelijksportret uit 1434 laat de invloed vanuit Italië zien en maakt ook duidelijk dat Italiaanse kooplieden via connecties invloedrijke posities konden bekleden bij het centraal hooggerechtshof.
Invloeden uit verre contreien kon men ook waarnemen in de architectuur. Ik constateer dat vooral de bouwkunst, de Brabantse gotiek, haar vleugels wist te spreiden over het Europese contingent: vanuit het Bourgondische Rijk dat door Frankrijk en over de Pyreneeën, reikte tot aan steden als Alcalá, Burgos en Guadalajara en zijn weg terug vond via Italië, over de Alpen via het Rijnland de Bourgondische Nederlanden weer binnenkwam; om in Brussel, Brugge en Antwerpen zijn triomfen te vieren. De Brabantse jaarmarkten en de ‘Spaanse Weg’, de handelsroute die de Bourgondische gewesten met Midden- en Zuid-Europa verbond, hebben ongetwijfeld aan de verspreiding van deze bouwstijl bijgedragen. De Brabantse gotiek was van huis uit verbonden met een platereske stijl, die in de Nederlanden prachtige bouwwerken heeft nagelaten. De stadhuizen van Brussel en Leuvenfoto: © Michiel 1972, http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/ zijn daar goede voorbeelden van. Laatstgenoemde is een wonder van sierlijkheid en originele smaak, gebouwd door Mathias de Layens. Die aanraking met de platereske stijl, vol van gezonde energie en levensvreugde, had de Brabantse gotiek opgedaan in de welvarende steden van Castilië.

Ondanks de politieke chaos in de vijftiende eeuw bloeide de economie van Castilië (Spanje) als nooit tevoren. Dit was te danken aan de wolfabricage, waarvan zowel Vlaanderen als Engeland grote afnemers waren. Steden langs de verspreidingsader van de wolhandel werden welvarender; er was vraag naar luxe goederen, waaronder kunstobjecten. Vlaamse en Bourgondische kunstenaars waagden de stap om in Castilië een rijk inkomen te vergaren. Menig adellijk Castiliaans gezin had een kunstverzameling van bekende Vlaamse meesters. Zowel in de schilder- en beeldhouwkunst als in de architectuur was de invloed van Bourgondië merkbaar. De Vlaamse laatgotiek – of gótico flamígero – kon zich aldus ontwikkelen in Spanje. Deze gótico flamígero was vooral geliefd bij adel en geestelijkheid. Dankzij de rijkdom die door de wolhandel was vergaard kon men zich permitteren bouwmeesters uit Vlaanderen en Bourgogne aan te trekken. Met deze kunststroming, verwant aan de flamboyante gotiek, ontwaakte een nieuwe geest tot ideaal: dat van het humanisme, waarin het menselijke, natuurlijke de boventoon voerde. Koning Juan II was zelf latinist en kunstbroeder van de Italiaanse dichters en humanisten van Napels. Tezelfdertijd verdween ook de geestelijke lading, die kunststromingen in de middeleeuwen hadden gehad. De kunst werd sierlijker, uitbundiger. Men stelde zich tot doel een kunst te scheppen die hoofser aandeed.
Tal van Bourgondische kunstenaars wisten hun weg te vinden naar dit land in opkomst. Jan van Eyck stond in hoog aanzien bij Filips de Goede, die hem verscheidene keren lange geheime reizen liet maken.

Voor de kunstenaar was het niet alleen een gelegenheid met zijn kwaliteiten in het buitenland te kunnen profileren, maar tevens opende het mogelijkheden voor politieke ambities aan het Bourgondische hof die anders gesloten bleven. Beide partijen deden er hun voordeel mee. Toen Jan van Eyck in 1427 Valencia aandeed in gezelschap van een Bourgondisch gezant voorzag de plaatselijke academie de kunstenaar van opdrachten. Van Eyck wist de School van Valencia een ander karakter te geven; studenten raakten zodoende vertrouwd met de manier van schilderen volgens de visie van de Vlaamse Primitieven.
De reis het jaar daarop had tot doel voor de hertog de hand te vragen van Isabella, de infante van Portugal, een dochter van João I en Philippa van Lancaster. Al stonden deze uitjes ook in het teken van het welslagen van schilderopdrachten, de politieke agenda voerde de boventoon. Het Bourgondische Huis van Valois vierde er wel bij: Filips huwde op 7 januari 1430 met de infante. Met deze zet sloeg de hertog twee vliegen in één klap: enerzijds kon hij zijn invloed doen gelden aan het Engelse hof van Lancaster (Isabella stamde van moederszijde af van de Engelse dynastie van Lancaster, een zijtak van het Huis Plantagenet), anderzijds wist hij Brabantse en Vlaamse kunstenaars aan het Portugese hof te introduceren. Behalve dat een verbintenis met het Portugese koningshuis gemaakt werd, had dit huwelijk tot gevolg dat de Engelse invloed in de Bourgondische gewesten, met name in Vlaanderen, in de vijftiende eeuw toenam. Isabella stamde immers van moederszijde af van de Engelse dynastie van Lancaster, een zijtak van het Huis Plantagenet. De hoeveelheid juwelen en wandtapijten uit Brugge en Doornik naar Engeland en de Engelse wol uit Atrecht in de Nederlanden doet constateren dat het beide landen economisch voor de wind ging. In ieder geval had de commercie in Vlaanderen en Boulonnais er flink baat bij, daar de invoer van Engelse wol een grote reputatie aan de ‘fin fil d’Arras’ bezorgde. Atrecht, befaamd vanwege zijn ateliers voor wandtapijten, leverde kostbare stoffen voor kleding en interieur die gretig aftrek vonden.
Na het Portugese avontuur verbleef Van Eyck in Castilië, aan het hof van het Huis van Trastámara. Juan II van Castilië had een bijzondere band met hem opgebouwd. Zijn zoon Enrique IV kocht enkele schilderijen van de Vlaamse meester, waarvan De Triomf van de Kerk over de Synagoge de bekendste is. De relatie tussen de vorstenhuizen van Bourgondië en Castilië was erg innig. Enrique koesterde die familieband, al schoot zijn binnenlandse beleid ernstig tekort. Net als zijn vader verspeelde hij de macht van de Kroon aan de adel. In de Spaanse geschiedenis geldt hij als een uiterst omstreden figuur. Enkele historici in eigen land hebben hem later in een kwaad daglicht gesteld vanwege zijn joodse komaf en tijdgenoten keurden zijn oosterse manier van leven af. De koning had goede contacten met conversos, bekeerde joden die hij hoge posities liet bekleden. De financiële administratie werd beheerd door bekeerlingen en de dignitarissen aan het hof waren afkomstig uit voormalige joodse families. Bekeerlingen hadden dusdanige invloed op de lokale politiek verworven dat Castilië zonder hen feitelijk vleugellam zou zijn.
De koning hield er gewoontes op na die niet bij een Castiliaanse koning paste: hij at, dronk en kleedde zich als een Moorse koning. Zijn contacten met de sultan van Granada waren een doorn in het oog van het Vaticaan en tijdens buitenlandse reizen liet Enrique, getooid met tulband, zich vergezellen door honderden Moorse ruiters, zoals in 1463 tijdens een staatsbezoek aan Lodewijk XI van Frankrijk, naar aanleiding van de teruggave van de Sommesteden door de hertog van Bourgondië. Vooral zijn latere deelname aan de oorlog van de Ligue du Bien Public, met als doelstelling de macht van Lodewijk XI te breken, werd hem door historici verweten. Enrique verbaasde vriend en vijand met de wijze waarop hij buitenlandse gezanten ontving: zittend op de grond geheel volgens oosterse traditie met de daarbij behorende grandeur die een oosters vorst toebehoren. Mede door de innige contacten drong de Arabisch getinte manier van leven zich op aan de Bourgondische cultuur in het Noorden; de morris dance, geliefd bij hertog en adel in Brussel, was er aan ontleend. Ook in kleding en touwschoenen imiteerde Filips de Goede zijn tijdgenoot, al droeg hij doorgaans zijn poulaines met lange schoenpunten.
Een gevolg van de roem der Van Eycks was dat kunstenaars uit Aragán en Castilië hun blik op de Lage Landen gingen richten. In 1432 ondernam een zekere Luis Dalmau uit Valencia een geheime reis naar de Nederlanden en ging zelfs enige jaren in Vlaanderen studeren. De schilderijen die hij maakte tonen hoe intensief de schildertechniek en beeldcompositie van de Primitieven hun invloed deden gelden op de Spaanse schilderkunst. Dalmau’s oeuvre resulteerde in een nieuwe Vlaamse schildertrant, écht-Castiliaans realisme met dramatiek.
De grootste schilder van de Spaanse gotiek was ongetwijfeld Bartolomé Bermejo. Hij was dé schepper van het gótico realismo in Vlaamse trant, getuige zijn schilderwerk Santo Domingo de Silos. Belangrijk werk uit zijn oeuvre is de Piedad in de kathedraal van Barcelona; hierin is de schilderstijl van Rogier van der Weyden te bespeuren – niet verwonderlijk daar Bermejo in het verleden een geheime reis naar de Bourgondische gewesten had ondernomen om bij de Waalse kunstschilder in de leer te gaan.
In het kielzog van Van Eyck traden buitenlandse meesters voor het Castiliaanse voetlicht zoals Miguel Flamenco en Juan de Flandes. Ook in andere takken van kunst manifesteerden vreemdelingen zich met hun artistieke talenten. Bekend waren Simon van Keulen en Juan de Bruselas. In de bouwkunst doken namen op als Juan Guas uit het Bretonse kunstenaarsgeslacht Wast, de gebroeders Enrique en Juan de Arfe, Hannequín en diens zoon Enrique de Egas. Laatstgenoemde wordt in Spanje gezien als de persoon die de platereske bouwtrant, die zich in Castilië met de Brabantse gotiek verbond, in zijn meest typische vorm wist te scheppen; een mengstijl genaamd het plateresco: gótico flamígero in combinatie met Moorse ornamentiek. Het fijne weefsel van de mudéjarstijl dat een gotische flamboyante schaduw erachter had.
Ook de Bretonse gebroeders Guas wisten deze gótico plateresco, hoofdzakelijk Moors van karakter maar vermengd met christelijke elementen, in hun ontwerpen te waarderen. Hierbij werd er samengewerkt met mudéjar-bouwmeesters die bekend waren met de islamitische bouwtrant; ook in de uitvoering werd er van islamitische kunstenaars gebruik gemaakt. Op tal van artistieke terreinen werd bewust voor hen partij gekozen: vooral de houtbewerking en keramiek werden geheel aan hen toevertrouwd. De gebroeders Guas hadden als opdrachtgever Iñigo López de Mendoza, de Markies van Santillana. Eén van de mooiste paleizen die ze ontwierpen voor hem en zijn familie is het Palacio del Infantado in Guadalajara, gebouwd tussen 1480-1483. De trotse adel wilde de rijkdommen in haar bouwwerken vereeuwigen. Het paleis laat een mengeling zien van gotische en klassieke vormen in combinatie met islamitische elementen. De kunst is écht-Castiliaans, ook al lijkt het soms alsof de ‘stijlzuiverheid’ van de flamboyante gotiek in gevaar komt. Immers, de Moorse elementen neigen door hun overdadige decoraties de Brabantse gotiek te overvleugelen.
Die Brabantse gotiek werd aldus van een sierlijk plateresco voorzien dat via Italië zijn weg terugvond en ten noorden van de Alpen in de Nederlanden prachtige staaltjes van bruisende vitaliteit achterliet, getuige de ornamentele rijkdom die het stadhuis van Leuven ons laat zien. Door zijn platereske elementen, zijn ragfijne decoraties en uiterst slanke pinakeltjes, steekt het monumentale bouwwerk in zijn omgeving af. Het heeft iets ‘uitheems’, iets zuidelijks met een sterk Moorse ornamentiek die uit een verre regio is komen aanwaaien en in de Bourgondische gewesten was neergedaald als representatie van een rijke burgerstand die zich sierde met een hoofse levensstijl.
Literatuur
1. Conrads, M. en G. Klinkhamer, Elseviers Kostuumgids, westerse kledingstijlen van de vroege middeleeuwen tot heden, Hdst.5: 1400-1440 Internationale gotiek, 26-29.
Hdst. 6: 1440-1490 Late gotiek, 30-33.
2. Cumming, R., Unieboek Focus, kunstgeschiedenis, Hdst.: Gotiek en Vroeg-renaissance ca. 1300-1500. De Noordelijke renaissance, 108-111.
3. Frère, J.C., De Vlaamse Primitieven, overzicht van de belangrijkste 15e-eeuwse Vlaamse schilders en hun directe navolgers. Hdst.2: De beroemde grondleggers, 25-46.
4. Heijden, C. van der, Zwarte renaissance: Spanje en de wereld (1492-1536), Hdst.1: Het vreemde land, Spanje in de Middeleeuwen, 31-36.
5. Huizinga, J., Herfsttij der Middeleeuwen, studie over levens- en gedachtenvormen der 14e en 15e eeuw in Frankrijk en de Nederlanden, Hdst.18: De kunst in het leven, 330.
6. Toman, Rolf red., De kunst van de Gotiek: Architectuur, beeldhouwkunst, schilderkunst, vert. Ingrid Buthod-Girard
Kurmann, P., Hfdst.: Architectuur van de late Gotiek in Frankrijk en de Nederlanden, 184-187.
Borngässer, B., Hfdst.: De Laat-gotische architectuur in Spanje en Portugal, 276-28
Ik heb dit stuk geschiedenis met veel bewondering gelezen en ik vind 't een zeer leerzaam en mooi stuk geschiedenis waar je trots op kan zijn de groeten je broertje

