Seks, zonde en het lichaam van Eva
Door Jill Bradley
Voor velen is Eva het archetype van de vrouw, de eerste vrouw, het epitoom van vrouwelijkheid, maar ook de eerste zondares. Heden ten dage is ze verbonden met seksualiteit, met verleiding en bekoring. Haar lichaam is het symbool voor de zinnen en sensualiteit. Ontelbare kunstenaars hebben haar afgebeeld, sierlijk tegen de Boom der Kennis geleund, met de slang als haar bondgenoot als ze Adam zijn gehoorzaamheid aan God doet vergeten. Veel onderzoek naar seksualiteit in de middeleeuwen richt zich op de marges van de samenleving, met name prostituees en homoseksuelen in de latere middeleeuwen.Zie onder meer Michael Camille, “Bodies names and gender in a Gothic Psalter (Paris BNF ms.lat. 10435),” in: The illuminated psalter; studies in the content, purpose and placement of its images, red. F.O. Büttner (Turnhout 2004), Michael Camille, Image on the edge: the margins of medieval art (Londen 1992), Michael Goodich, The unmentionable vice: homosexuality in the later medieval period (Santa Barbara 1979). Eva´s afbeelding geeft een indicatie van de houding tegenover ´normale´ seks, en hoe de makers van miniaturen en andere beelden tegen vrouwen en vrouwelijke seksualiteit aan hebben gekeken.
Vóór de twaalfde eeuw waren afbeeldingen van de Zondeval vrij zeldzaam. Ze komen in clusters voor; in het algemeen, hebben deze clusters betrekking op zowel tijd als plaats.Dit is gebaseerd op de auteursanalyse van gegevens van het Index of Christian Art, Utrecht. In de vroeg Christelijke tijd hadden een aantal sarcofagen, meestal vierde-eeuwse Italiaanse werken, de Zondeval als onderwerp, maar behalve één Merovingische tegel, zijn er geen uit Noordwest-Europa afkomstige werken, tot de midden negende eeuw toen vier geïllustreerde Bijbels werden gemaakt.Er is ook een mogelijke afbeelding op een in de Karolingische tijd bijgewerkte ivoren paneel, maar waarschijnlijk zijn hier de verschillende soorten levende wezens afgebeeld volgens Isadorus van Saville J. Hubert, J. Porcher, and W.F. Volbach, Carolingian Art (Londen 1970) noot bij illustratie 218 blz. 355. Deze Bijbels zijn allemaal gemaakt in wat nu Noord Frankrijk is. Er is een lacune tot het eind van de tiende en de eerste helft van de elfde eeuw waaruit we vier miniaturen, de meesten Anglo-Sakische of daardoor beïnvloed, en de deuren van de abdij in Hildesheim vonden. Na weer een periode van een jaar of vijftig komen afbeeldingen van de Zondeval vaker voor, zowel in miniaturen als meer openbare werken.Enige voorzichtigheid met de term ´openbare werken´ is nodig. Heel weinig onderzoek is gericht op het publiek voor verschillende werken. Veel middeleeuwse werken die nu toegankelijk zijn voor een breed publiek waren toen alleen voor priesters of monniken toegankelijk. Bijvoorbeeld, het is onwaarschijnlijk dat de gewone burger de deuren in Hildesheim zag. Voor een korte beschouwing van middeleeuwse ´openbare´ werken, zie J. Bradley “The eye of the beholder: religious art and its medieval audience”, Desipientia¸ Herfst 2007. De clusters geven momentopnames van hoe het negatieve beeld van Eva tot ontwikkeling kwam. Dit artikel kijkt naar de meest typische van de negende-eeuwse beelden, daarna gaat de aandacht uit naar wat in de elfde eeuw als een keerpunt gezien kan worden en tot slot worden een twaalfde-eeuwse miniatuur en een werk dat voor de gewone burger toegankelijk was onder de loep genomen.
Naar Gods gelijkenis gemaakt
Het achterhalen van details van middeleeuwse handschriften is vaak moeilijk en onzeker. Argumenten stoelen op veel, soms zeer technische, factoren, en vaak is er geen eensgezindheid onder de experts over datering, scriptoria of opdrachtgever. Van de vier negende-eeuwse geïllustreerde Bijbels is er de meeste eensgezindheid over Paris, Bibliothèque Nationale, Ms. Lat.1, f.10v, bekend als de Vivian Bijbel, wegens de miniatuur waarop abt Vivian en zijn monniken van de abdij van H. Maarten, Tours, het boek aan Karel de Kale aanbieden.F.423r. Waarschijnlijk werd de Bijbel voor Karel gemaakt toen hij de voorrechten van de abdij verlengde in 846.Hageman is van mening dat de Bijbel door de monniken werd gemaakt in een poging Karel te weerhouden van het benoemen van de leek, Graf Vivian, als abt. M. Hageman, De kleren van de keizer: Rituelen en media in de tijd van Karel de Grote. pp. 54-55. Diebold is het eens met de datering, maar is van mening dat Vivian al abt was. William J. Diebold, “The artistic patronage of Charles the Bald” (Johns Hopkins 1990). Gezien de presentatieminiatuur, vind ik Diebolds argument meer overtuigend. De Genesisminiatuur uit de Vivian Bijbel is het meest ´typerend´ voor deze periode.Analyse laat zien dat deze miniatuur de elementen heeft die gemeen zijn tot de andere drie werken, en geen elementen heeft die met betrekking tot dit werk bijzonder zijn. Het beeld van Eva is heel anders dan het wulpse wezen uit latere perioden. Bij Eva´s schepping wordt zij opgevoerd als een individu, niet als deel van Adam. De Schepper neemt een rib uit Adams lichaam en daarvan maakt Hij de vrouw, op dezelfde manier als Hij Adam uit al bestaande stof heeft gemaakt: ze rijst niet op uit Adams zij. Eva is dus een tweede, maar toch afhankelijke schepping. Ze is in alles weergegeven als Adams gelijke. Noch Adam, noch Eva heeft seksuele karakteristieken, hoewel Adam misschien iets meer gespierd is.In de iets vroegere British Library, Ms. Add.10546, f25v, ook een Karolingisch werk van Tours, zijn Adam en Eva niet van elkaar te onderscheiden. Eva heeft ook hetzelfde gezicht als de Schepper, een uiting van Genesis 1.27: ´God schiep daarop de mens als Zijn evenbeeld. Als man en vrouw schiep Hij hen.´ Net als Adam, draagt ze de goddelijke vonk in zich. Eva is zeker niet verleidelijk; er is geen teken van sensualiteit, laat staan seksualiteit: ze gebruikt geen trucs om Adam te doen eten. De hoofdzonde die tot de val van de mensheid leidde was kennelijk niet seksueel van aard.
Seksuele relaties, binnen de grenzen van wat geoorloofd was, waren geen zonde. In zijn commentaar op Genesis, gemaakt in opdracht van Lodewijk de Vrome, vader van Karel de Kale, accepteert Claudius van Turijn dat Adam en Eva in het Paradijs seksueel actief waren, maar dit echter zonder lust te voelen.Benedixitque illis Deus, et aet Crescite et multiplicamini, et replete terram… Nos autem non dubitamus, secundum benedictionem Dei, corporaliter potuisse illos in paradiso multiplicari, et si non peccassent, coituros sine ulta libidinis pertubatione, ut membra sola uoluntas, non libido moueret. Illud tamen credendum est, quaod tanta multitudo nasei potuit hominum quoad usque preadestionatorum sanctorum numeros completetur, qunati et nunc per Dei gratian colliguntur PL (Patrologia Latina) 50 : 901. Zijn tijdgenoot, Jonas van Orléans, zag de oorzaak van de Zondeval als ongehoorzaamheid aan een goede Heer.Jonas van Orleans, De institutione regia. hoofdstuk.X. Claudius geeft de echte schuld aan Adam: hij wist wat hij deed en zondigde bewust.nisi quod illa, quod ei serpens locutus est, tamquam verum esset, accepit; ille autem ab unico noluit consortio dirimi, nec in communione peccati, nec ideo minus reus, si sciens prudensque peccavit. PL 50 : 910-915. Claudius´ mening is weergegeven in de miniatuur. Alleen Adam eet de verboden vrucht. Eva is slechts het medium om Adam ten val te brengen. Zij neemt de vrucht zonder vragen te stellen en geeft hem door aan Adam. Adam als man en eerste geschapene, moest niet alleen de leiding nemen, maar ook de verantwoordelijkheid dragen. Het is Adam die de vrucht eet en zodoende zowel kennis als zonde tot zich neemt. Toch is er, zowel in de miniatuur als in het werk van Claudius, geen twijfel dat Eva ook schuldig is. Waarom, vraagt Claudius, zou Eva gestraft worden als ze niet schuldig was?PL 50: 915. Hij maakt duidelijk dat Eva´s ondergeschiktheid aan haar man – de straf die haar werd opgelegd – eigenlijk is om ondergeschikt te zijn aan het (fysieke) verlangen naar hem. De miniatuur in de Vivian Bijbel geeft dit visueel weer. Voor de Zondeval is Eva als androgyn afgebeeld, en ze heeft dezelfde gelaatstrekken als God, maar in haar leven na het Paradijs en het opleggen van straf is ze te zien terwijl ze haar kindje de borst geeft. Seksualiteit en seksuele verlangens waren dus niet de oorzaak van de Zondeval, maar de gevolgen daarvan. Noch Eva’s lichaam, noch haar seksuele gevoelens leidden tot de ondergang van de mens.
Ondanks de onzekerheid die over verschillende aspecten van de vier Karolingische Genesis miniaturen bestaat is het zeer aannemelijk dat ze tot stand waren gekomen voor opdrachtgevers uit de hoogste kringen. Zie o.m. Herbert L. Kessler, The illustrated Bibles from Tours, Studies in manuscript illumination (Princeton 1977), Herbert L. Kessler, “The sources and constructions of the Genesis, Exodus, Majestas and Apocalyse Frontispieces in the ninth century Touronian Bibles” (Princeton 1965), W. Köhler, Die karolingische Miniaturen: Die Schule von Tours (Berlijn, 1930-1933). Diebold, “The artistic patronage of Charles the Bald”. Het was voor deze hoogste kringen dat theologen zoals Jonas van Orléans, Sedullius Scottus en Claudius van Turijn schreven en de deugd uitlegden. Seksualiteit speelde een kleinere rol in de deugden die van een vorst werden verwacht. Als seksuele zonde of seksualiteit ter sprake kwam, dan legde men de nadruk op de verantwoordelijkheid van de man om zijn eigen aard in bedwang te houden. Alfred, tijdgenoot van Karel de Grote, vroeg God om een ziekte om hem kuis te houden.Paul Kershaw, “Illness, power and prayer in Asser’s Life of King Alfred,” Early Medieval Europe 10 (2001), pp. 206-207. Walahfrid Strabo, leraar van Karel de Kale, schreef over de droom van zijn eigen oude leermeester, Wetti, waarin hij nonnen en monniken zag, en ook Karel de Grote, die al tien jaar voor zijn droom overleed; zij werden aan hun genitaliën gepijnigd voor hun onkuis gedrag. Interessant is het advies dat Dhuoda, gravin van Septimania en vrouw van de hofmeester van Karel de Kale, schreef in haar boek voor haar zoon, ‘Als door aanzet van de duivel, de handlanger van de dood, ontucht of een andere vleeslijk lust je hart zou bewegen, houdt het met kuisheid tegen.’Dhuoda, Liber manualis. Boek 4 hoofdstuk 6. Er waren wel vrouwen die van ontucht beschuldigd waren, maar deze werden als individuen aangeklaagd, niet de vrouwen als een sekse.
In het algemeen, hadden de koningin en andere adellijke dames veel macht; ze waren niet alleen een kanaal voor koninklijke gunsten, maar vaak beheerden ze het bezit van hun echtgenoot tijdens zijn afwezigheid, of heersten op eigen gezag.Zie onder meer Hincmar De ordine palatii, Nithard, Historiarum Libri IV. Judith, de moeder van Karel de Kale, heeft zeker voor een periode zowel de schatkamer als de koninklijke regalia beheerd, en ook een leger opgezet om haar zoon te helpen.Janet L. Nelson, Charles the Bald, (Londen en New York 1992), p.114. Hincmar van Reims schreef dat de koning, koningin en hun nageslacht de leiding hadden in het hof en in het land. De koningin bestuurde, hoewel ze kon worden afgezet, het hof.De vergeefse poging om Lothar II zijn keizerin, Theutberga, af te zetten laat zien dat de macht van een vorst om zich van zijn vrouw los te maken zeker niet onbeperkt was. Ook konden vrouwen uit de lagere klassen hun stem laten horen. In 857 begon een vrouw, Agintrude, een rechtelijke procedure tegen een priester over het bezit van een boerderij. Agintrude´s actie faalde, en ze klaagde dat mensen niet bereid waren de priester tegen te spreken.Janet L. Nelson, ´Dispute settlement in Carolingian West Francia´, The Frankish World, J.L. Nelson, (Londen 1996). Toch laat het verslag van het gerechtshof zien dat veel aandacht gegeven werd aan zowel schriftelijk bewijsmateriaal als het bewijsmateriaal van getuigen. Agintrude’s actie tegen de priester, Norbert, werd zeker niet behandeld als vreemd. Ook bij de belastingen zien we dat vrouwen vaak als onafhankelijk behandeld werden.Nelson, Charles the Bald, p. 25. In de Karolingische tijd werden vrouwen als de mindere van de man beschouwd, ze werden gezien als door God geschapen. De goddelijke vonk in mannen was ook in vrouwen te vinden. Ze werden als mens gezien, niet als de handlangers van de duivel, verleiders die er voldoening aan beleefden om mannen ten val te brengen. Mannen en vrouwen waren zelf verantwoordelijk voor hun gedrag, en als mannen onkuis waren, lag de fout bij hen, niet bij de vrouw die ze begeerden.
Maagdelijkheid en bewuste seksualiteit
Er bestaat een lacune van ongeveer 130 jaar voordat we weer afbeeldingen van de Zondeval vinden. Deze handschriften komen uit een heel andere milieu dan die van de negende eeuw. Ze zijn allemaal producten van een strenge hervormingsbeweging in de abdijen van Europa. Tijdens de tiende eeuw begon de macht van seculaire vorsten te fragmenteren en ambitieuze mannen namen de landen en bezittingen van hun zwakkere buren in. Ook de landen van de vaak rijke kerken en abdijen waren niet veilig en de Kerk begon zulke heersers meer en strengere geestelijke sancties op te leggen.Zie onder meer T. N. Bisson, “The ‘feudal revolution”,” Past and Present (1994). pp. 21-22. Bijvoorbeeld: het Concilie van Anse in 994 legde zware sancties op voor iemand die mensen of bezit van Cluny bedreigde. De Kerk leidde een campagne, de Vredesbeweging, tegen geweld, maar legde ook nadruk op de zondigheid van de mens die aanleiding was voor alle maatschappelijke problemen; niet alleen geweld maar ook ziekte en slechte oogsten. Adhemer van Chabannes maakte duidelijk dat het Concilie van Limoges in 994 bijeen werd geroepen wegens een vorm van de pest, die werd gezien als Gods straf voor de zondige mens.´Le dixième abbé, Geoffroy, gouverna pendant sept ans; il mourut le 5 des ides d’octobre (11 octobre 998). Sous son abbatiat, des plaies brûlantes couvrirent le corps des Aquitains, et plus de quarante mille hommes moururent de cette épidémie. Pour cette raison, l’abbé Geoffroy et les évéques d’Aquitaine assemblés à Limoges élevèrent le corps de l’apôtre et le transportèrent au Mont-Jovis ; de là ils le rapportèrent à son tombeau la veille des nones de décembre (4 décembre) et la peste de feu cessa.´ Adhemar van Chabannes, geciteerd Franse Ministrie van Culture website:http://www.culture.gouv.fr/culture/limoges/present.htm. Men moest leven in vrede, niet alleen met elkaar maar ook met God en Zijn wetten. Terwijl de Vredesbeweging de nadruk legde op de problemen van de maatschappij als een geheel, namen de reguliere orden ook ruimte voor hun geestelijke ontwikkeling met meer nadruk op de liturgie en het maken van mooie liturgische objecten, inclusief handschriften. Monniken waren de soldaten die oorlog met de duivel en de zijnen voerden en vooral in Anglo-Sakische gebieden lijkt de duivel een zeer belangrijke rol te spelen.Deađ in geþrong fira cynne, feond rixade geond middangeard. Dood drong door tussen de mens, de duivel overheerst de aarde. Guthlac B (863-865). Werken zoals het gedicht Lichaam en ziel geeft het gevolg weer van een leven dat beheerst werd door het wereldse en vleselijke. Werken van schrijvers zoals Cynewulf en de non Hrotswitha van Gandesheim, maakten de hagiografie dramatisch en legden de nadruk op (vrouwelijke) kuisheid. In Thais en Maria schreef Hrotswitha over prostituees, hun bekering tot Christus en hun extreme berouw dat zo groot was dat zelfs hun zonde werd vergeven. Seksualiteit en onkuisheid waren de metafoor voor zonde als een geheel en maagdelijkheid een metafoor voor het ware geloof. Interessant is het feit dat alleen de maagdelijkheid van Hrotswitha’s vrouwen wordt bedreigd. De rechtvaardige mannen in haar werken vinden de dood, maar hun kuisheid komt niet in gevaar.Zie ook Stephen Wailes, L., “Beyond virginity: flesh and spirit in the plays of Hrotsvit of Gandesheim,” Speculum 76 (2001). pp.1-27. Seksualiteit werd meer en meer met vrouwen geassocieerd.
Vermoedelijk de belangrijkste veranderingen in de houding tegenover vrouwen laten twee Anglo-Sakische handschriften zien. Hoewel Latijn nog steeds de gebruikelijke taal voor geschreven werken was, bestaat er een omvangrijk corpus van werken in het Oud-Engels geschreven, daterend vanaf de zevende eeuw. Veel van deze werken zijn theologisch van aard, zoals Dream of the Rood; weer anderen zijn vertalingen of bewerkingen van de Bijbel. Oxford, Bodleian Library, Ms.Junius 11 is een van deze bewerkingen. Het meest controversiële van de gedichten daarin blijkt gebaseerd op een negende-eeuws Oud-Saksisch gedicht waarvan alleen een fragment bewaard is gebleven.Rome, Vaticaan, Palatinus Latinus Ms. 1447. We weten weinig over het Junius handschrift. Waarschijnlijk werd het aan het eind van de tiende eeuw in het scriptorium van de Christ Church, Canterbury, gemaakt, maar wie de opdrachtgever was is volkomen onbekend. Dat het in de volkstaal geschreven is betekent niet noodzakelijkerwijs dat het voor vrouwen of leken gemaakt is, want er werd vaak geklaagd over de gebrekkige beheersing van het Latijn onder geestelijken.Mark Griffith, “How much Latin did Aelfric’s magister know?”, in: Notes and Queries ccxliv (2000). De zogenaamde ´pointing´ wijst aan dat de gedichten voorgelezen moesten worden, wellicht tijdens de Pasen.J.R. Hall, “The Oldest English Epic of Redemption: The Theological Unity of MS Junius 11,” Traditio 32 (1976).p.189 en C. J. Thornley, ” Studies in versification of the Old English manuscript Junius 11: an investigation into the function of the accents and a consideration of the poetical rhythms and their relation to sense and style” (University of London, 1950).cited, J.R. Hall, “The Oldest English Epic of Redemption: The Theological Unity of MS Junius 11:,” Traditio 32 (1976). p.186 noot 8. ‘Pointing’ geeft aan de manier waarop iets gelezen moet worden.
In het Junius handschrift is Eva afgebeeld in zowel tekst als beeld als een liefdevolle vrouw die gedreven werd door het belang van haar man en de wens hem te beschermen tegen Gods wrok. Ondanks haar goede bedoelingen, haar liefde voor haar man en God, is Eva wel negatief afgebeeld. Zij vertegenwoordigt het ´vrouwelijke´ dat geen onderscheid kan maken tussen echt en onecht, tussen goed en kwaad: ze wordt door haar emoties gedreven en is niet in staat zich los te maken van de wereld en met de ogen van de ziel te zien.Voor een overzicht van ´vrouwelijke´ zwakte zie Karen Pratt, William Marx and Alcuin Blamires, red., Woman defended and woman defamed: an anthology of medieval texts (Oxford 1992); Alcuin Blamires, The case for women in medieval culture (Oxford 1997); Jill Bradley, “De doot onse mesteresse,” in: Moordmeiden en schone slaapsters: Belevingen en verbeeldingen van vrouwen en de dood, ed. Marga Altena et alia (Amsterdam 2004). In tegenstelling tot de Karolingische miniaturen van de Zondeval, is Eva in deze miniaturen onmiskenbaar vrouwelijk. Ze heeft lang, golvend haar, een vrouwelijk gezicht, dat niet op die van de Schepper lijkt, grote borsten en tepels, en ze neemt een nederige houding aan. Ze is onzeker, weet zich geen raad, ook na haar visie over God en haar overtuiging dat ze Zijn wil doet, buigt ze voor Adam. Ook vóór de Zondeval is ze een tweederangs schepsel. De Eva van het Junius handschrift is echter verre van een verleidster en heeft allesbehalve kwade bedoelingen maar ook in het laatste gedicht van Junius 11, dat over de bevrijding uit de hel gaat, krijgt Eva de schuld. Christus laat iedereen vrij, maar Eva mag de hemel niet zien tot ze haar schuld heeft bekend. Ze is hier het zinnebeeld van alles wat zwak en menselijk is. De schuld die haar opgelegd wordt heeft niets te maken met fysieke of seksuele aspecten, maar met haar onvolmaakte rede, haar emoties en gebrek aan standvastigheid en kracht. Haar nederige houding is toe te schrijven aan de identificatie van ´vrouw´ met ´lichaam´, en ´man´ met ´rede´.Susan Burchmore, “Traditional exegesis and the question of guilt in the Old English Genesis B,” Traditio 41 (1985). Het lichaam moet geleid zijn en gedirigeerd worden door de rede. Als het lichaam –Eva- haar zin krijgt zijn de gevolgen rampzalig.1 Timoteus, 2, 14. En Adam werd niet misleid, maar het was de vrouw die zich liet bedriegen en daardoor tot overtreding kwam. (Willibrord vertaling).
Het tweede Anglo-Saksiche handschrift is een vertaling van de eerste zes boeken van de Bijbel. London, British Library, Ms. Cotton Claudius B.IV, de Oude Engelse Hexateuch genoemd. Terwijl we niet veel weten over het handschrift zelf, weten we meer over de vertaling. Zo is de vertaling van Genesis van de hand van de beroemde clericus, Ælfric, en gemaakt op verzoek van Eorldeman Æthelwold. In zijn Voorwoord uitte Ælfric zijn twijfels om zoiets in de volkstaal te zetten. Hij vreesde dat men het te letterlijk zou lezen om de echte theologische betekenis te begrijpen. Hij vreesde onder meer dat geestelijken zouden denken dat het geoorloofd was een vrouw te nemen; Ælfric was een voorstander van celibatair leven. Werken uit deze perioden laten een groot wantrouwen zien aangaande seksualiteit, iets dat problemen opleverde met Bijbelse verhalen over Judith bijvoorbeeld.Zie onder meer Clare A. Lees, “Engendering Religious Desire: Sex, Knowledge, and Christian Identity in Anglo-Saxon England,” Journal of Medieval and Early Modern Studies 27 (1997), Hugh Magennis, “No sex please, we’re Anglo-Saxon”? Attitudes to sexuality in Old English poetry and prose,” Leeds Studies in English XXIV new series (1995). Er zijn een aantal kopieën van de vertaling overgeleverd in meerdere versies. Cotton Claudius B.IV is de enige elfde-eeuwse versie die geïllustreerd is en deze versie bevat ook Ælfric´s Voorwoord. Het werk is waarschijnlijk van het scriptorium van de H. Augustinus in Canterbury en werd nooit voltooid. Het is mogelijk dat de miniaturencyclus enige tijd na de vertaling tot stand kwam en dat er eerdere, nu verloren, versies met illustraties waren.P. Clemoes, “The composition of the Old English text,” in: The Old English Illustrated Hexateuch: British Museum Cotton Claudius B.IV, ed. P. Clemoes and C.R. Dodwell, Early English Manuscripts in Facsimile (Copenhagen 1974), p. 53. Het is zeer duidelijk dat in het Londense handschrift de illustraties belangrijk waren; de plaatsen voor de miniaturen werden gemaakt vóór de lijnen van de tekst.
De miniaturencyclus begint, net als die van Junius 11, met de val van Lucifer, maar er is een verschil: dit is een belangrijk onderdeel van het Junius gedicht, terwijl het in de Bijbel niet voorkomt. Toch werd dit gezien als het begin van de Heilsgeschichte en het kwam niet alleen voor in theologische werken maar ook in Anglo-Saksische aktes en donaties.Bijvoorbeeld Londen, British Library, Cotton Vespasian A.viii, ff.2v-33v. In tegenstelling tot de negende-eeuwse miniaturen geeft dit aan dat het kwaad al bestond voor de Zondeval.Er werd vaak gediscussieerd over de vraag of de mens werd geschapen alleen om de gevallen engelen te vervangen. Zie onder meer Anselmus van Canterbury Cur Deus homo. Na dit extra-Bijbelse miniatuur, volgt de cyclus het Scheppingsverhaal vrij nauwkeurig. Met de schepping van Eva zien we een heel nieuw element: Eva rijst uit de zij van Adam. Dit is het oudste overgeleverde werk waarop de oorsprong van Eva zo is uitgebeeld. Omdat dit snel de gewone manier werd om de schepping van Eva weer te geven, wordt de originaliteit van deze voorstelling gemakkelijk over het hoofd gezien. Deze miniatuur kan gezien worden als een overgangsvoorstelling; Eva rijst uit de zij van Adam maar wordt door de handen van God geschapen. De relatie tussen stof en vorm is echter veranderd. De stof is geen levenloos bot dat tot nieuw leven geschapen wordt, maar iets levends dat uit Adam komt en gevormd wordt tot iets, dat nauw verwant is aan haar oorsprong. Eva komt niet zomaar uit Adam te voorschijn, zij is een deel van hem, door God getransformeerd: ze is nog steeds Gods schepping, maar dan een afgeleide schepping. Ze wordt ook niet met God geïdentificeerd. Zowel de Schepper als Adam zijn behaard en tonen wel wat gelijkenis met elkaar. Eva is echter een vrouw, niet alleen qua lichaam maar ook in haar gelaat. Er zijn implicaties: Eva is geen echt onafhankelijke schepping meer, maar deel van Adam dat uit hem verwijderd wordt. Adam en Eva kunnen gezien worden als de twee delen van de mens, lichaam en ziel, een tweedeling die vaak voorkwam in geschriften van die tijd. Schrijvers hadden de vrouw allang met het lichaam geassocieerd.Zie noot 28.
Met het verbod op het eten van de vrucht van de Boom der Kennis verlaat de miniaturencyclus het Bijbelse verhaal. In de Bijbel zijn twee versies van de schepping van Eva, de eerste in Genesis 1;27 - “man en vrouw schiep Hij hen”. De tweede, de meest bekende versie die bijna altijd wordt uitgebeeld, vindt men in Genesis 2: 18-23, nadat Adam het verbod gekregen heeft in Genesis 2:16-17. Toch is het gebruikelijk om het verbod uit te beelden met Adam én Eva.Van de vier Karolingische werken laat alleen de Moutier- Grandval Bijbel het verbod zien, en het is duidelijk dat het verbod aan Adam en Eva, als gelijken, is gegeven. In de Oude Engelse Hexateuch is Eva er ook bij. God wijst naar Adam, Zijn vingers net voor Adams ogen, en hij toont een boek, altijd een symbool van autoriteit en de wet. Adam kan geen twijfel hebben over wat hier is bedoeld. Maar Eva staat achter hem, Adams lichaam belemmert haar zicht op het verbod. Het is mogelijk dat dit haar gebrek aan kennis en begrip van Gods woord symboliseert.
Terwijl Eva in de Karolingische miniaturen de vrucht aan Adam geeft, zonder enig teken dat zij hem opzettelijk verleidt, en de tekst van Junius 11 duidelijk maakt dat Eva pleit met Adam met de beste bedoelingen, laat de Oude Engelse Hexateuch een heel andere Eva zien. Ze wenkt hem om naar haar toe te komen. Haar lichaam is gedraaid en ze kijkt over haar schouder. Haar houding moedigt de man aan; ze is speels, alsof er niets ernstigs aan de hand is. De compositie van deze miniatuur is zeer onevenwichtig, met de Boom, de slang en Eva uiterst links, Adam in het centrum en de rechter kant blanco. Dit wekt de indruk dat Eva, of liever Eva’s aantrekkingskracht, de man naar haar toe sleurt. Naar haar toe en naar de zonde toe, want deze Eva is nauw aan de zonde verbonden. Een enkel donker vijgenblad wijst naar haar hart en ze is heel letterlijk met de slang verbonden.In de Middeleeuwen werd de Boom van Kennis van Goed en Kwaad vaak met de vijg geïdentificeerd. De slang heeft zijn staart rond en door haar benen gewikkeld. Dit geeft de aard aan van de zonde die hier plaatsvindt: Adam is voor de seksuele aantrekkingskracht van de vrouw bezweken. Hier is Eva geen symbool van ´vrouwelijke´ zwakte, maar een gevaar op zich, een bondgenoot van de zonde. Deze Eva is geen metafoor voor wat in de mens minder sterk op God gericht is, maar een vrouw, een seksueel wezen die de man verleidt.
Vanaf de twaalfde eeuw kwam de Zondeval als onderwerp vaker voor, en daarmee Eva als sensuele, seksuele vrouw. Ook vrouwen werkten mee aan een negatief beeld van Eva. Hildegard von Bingen schreef: “O, wat reden voor huilen en rouw is dat door het advies van de slang, smart en schuld de vrouw binnenkwam. Deze vrouw door God bestemd als moeder van allen heeft haar baarmoeder vernietigd met de wonden van onwetendheid en baarde veel smart voor haar kinderen”."O quam valde plangendum et lugendum est, quod tristitia in crimine per consilium serpentig in mulierem fluxit. Nam ipsa mulier, quam Deus matrem omnium posuit, viscera sua cum vulneribus ignorantiae decerpsit et plenum dolorem generi suo protulit Sequentia voor de Maagd Maria 22-26. Ook in seculiere werken. werden vrouwen vaak afgeschilderd als minder trouw of makkelijker te verleiden.Bijvoorbeeld in romans als La Fresne en Bisclaveret. De twee aspecten die naar voren kwamen in de twee Anglo-Sakische handschriften, die van een zwak schepsel verbonden met het lichaam en de opzettelijk verleidelijke vrouw die een gevaar voor mannen betekent, waren dominant. De verbondenheid met de duivel of slang was een belangrijk element; ook als Eva zelf niet verleidelijk werd afgebeeld werd ze visueel met de slang of draak verbonden. Juist in de twaalfde eeuw werd de slang vaak als draak afgebeeld, iets dat wijst op een vereenzelviging van slang en duivel.Dit lijkt te wijzen op Apocalyps 20, 2 ‘de draak, de oude slang – dat is de Duivel, de Satan’ (Willibrord vertaling). In veel miniaturen is Eva het medium waardoor Adam tot de zonde komt: vaak eet ze zelf niet van de vrucht, maar is een schakel in de ketting van slang naar Adam.
De vrees voor seksualiteit nam in sommige geschreven bronnen af, maar de miniaturen - meestal voor geestelijken bestemd – laten zien dat dit nog steeds een groot gevaar werd geacht. In het algemeen was er een erkenning van dit gevaar en sommige geestelijken hebben seksuele verleiding gezocht om hun standvastigheid en toewijding aan hun belofte van kuisheid op de proef te stellen. Maagdelijkheid werd altijd ver boven het huwelijk geacht, zeker voor vrouwen. Een goed voorbeeld van iemand die haar maagdelijkheid wilde behouden, koste wat kost, is Christina van Markyate. Volgens haar Vita moest zij niet alleen met de seksuele avances van mannen worstelen maar tevens haar eigen seksuele verlangens overwinnen. In tegenstelling tot de man op wie ze verliefd was, herkende ze hun afkomst als van de duivel en ze wist deze verlangens zo te verbergen dat de beminde er niets van merkte. Opmerkelijk is dat waar dit gegeven in haar Vita werd verteld zij als ´man´ beschreven is omdat ze haar lust kon bedwingen, terwijl de beminde met een ´vrouw´ werd vergeleken, wegens zijn overgave aan zijn verlangens.
De seksuele aspecten van de Zondeval zijn duidelijk in de Manerius Bijbel.Parijs, Bibliothèque Ste. Geneviève, Ms. 8. Hier is Eva mooi, sensueel en zeer zelfbewust, zeker in tegenstelling tot de zachtere, meer besluiteloze Adam. Haar verbondenheid met het lichaam is onmiddellijk duidelijk. We zien de scènes van de schepping van zowel Eva als Adam: die van Adam laat de animatie zien– het geven van de ziel. God geeft Zijn eigen adem, afgebeeld als een stroom lucht die van mond tot mond naar de man gaat. Het kan haast niet intiemer zijn, het overbrengen van de goddelijke vonk. Van Eva zien we de schepping van haar lichaam – of liever gezegd hoe haar lichaam te voorschijn komt uit dat van Adam. De Schepper houdt de rib van Adam vast, alsof Hij een slot open gedaan heeft, en Eva komt als een schuifdeur uit Adam. Het heeft het effect van een Siamese tweeling, zodat Eva de andere helft van Adam is, die verwijderd kan worden. Eva kijkt haar Schepper aan. Er is geen verering in haar blik, geen teken van een minderwaardigheidsgevoel. Ook het verbod lijkt tot Eva gericht te zijn, terwijl Adam zijn oor bedekt. De Eva die we hier zien doet denken aan de Eva in de Jeu d´Adam, een laat twaalfde-eeuws toneelstuk, het oudst bekende dramatische werk in de volkstaal. Opmerkelijk is dat de toneelaanwijzingen bewaard zijn gebleven en deze zeggen dat Eva opstandig moet kijken.Jonathan Beck, “Genesis, Sexual Antagonism, and the Defective Couple of the Twelfth-Century Jeu d’Adam,” Representations (1990). In de scène van de Zondeval is Eva weer zeer zelfbewust, met geen schaamte of aarzeling in haar houding. Ze is groter dan Adam, haar houding uitdagend, met haar dat over haar rug golft, zodat het gezien kan worden tussen haar benen die aan beide kanten van een dikke rank zijn geplaatst, haar borsten zijn groot en haar tepels en schaamspleet in rood benadrukt. De slang buigt zijn kop, bijna als een kat die geaaid wil worden. De lome sensualiteit van vrouw en slang staan in schril contrast met de gretigheid van Adam als hij over de rank klimt om de vrucht van Eva aan te nemen. Hij steekt zijn hand in een donker gat tussen Boom en slang en haakt zijn duim in het centrum van de ronde, rode vrucht die Eva hem voorhoudt. Zonde is hier sterk aan vrouwelijke seksualiteit verbonden, maar ook aan de zwakte van de man als hij met zulke verleiding wordt geconfronteerd.
De twee gezichten van de vrouw
Vanaf de late elfde eeuw werd de Zondeval gezien als een geschikt onderwerp voor meer ‘publieke’ werken, maar deze term is zeer relatief: sommige werken waren alleen voor een beperkt publiek bedoeld, anderen werden voor leken in het algemeen gemaakt. Op kapitelen en timpanen van kloosters en kerken, veelal op pelgrimsroutes, is het thema te vinden. De pelgrimstocht werd natuurlijk ook met het idee van zonde verbonden; men ging of uit eigen beweging of op bevel van een gerechtshof of de kerk naar een pelgrimsorde om van hun zonde gelouterd te worden. In deze latere werken werd Eva niet alleen als verleidster afgebeeld, maar werd ze meer en meer vereenzelvigd met de slang.Vrouwelijke seksualiteit en ondergeschiktheid aan de zinnen werd ook met dieren verbonden. Zie Helen Solterer, “Seeing, Hearing, Tasting Woman: Medieval Senses of Reading,” Comparative Literature 46 (1994). Voor toegeschreven karakteristieken van dieren zie J.Voisenet, Bestiare chrétien: l’imaginaire animale des auteurs du haut moyen age (v-xi s.). Op het noordportaal van Chartres staat ze naast de Boom der Kennis. Adam is te zien op de buitenboog, naast haar. Hij deinst een beetje terug, zijn hand op de keel; een gebaar dat bij Adam vaker te zien is in beeldhouwwerken. Maar Eva lacht. Haar houding en uitdrukking weerspiegelen die van de slang. In een miniatuur in een laat twaalfde-eeuws handschrift van Scivias van Hildegard von Bingen, gemaakt in Zwiefelten, geeft Eva´s schepping een voorspelling van deze identificatie tussen Eva en de slang.Heidelberg, Universitätsbibliothek, Cod. Sal X. Op bevel van Gods hand komt een lang, slangachtig stuk touw met haar hoofd erop uit de zij van Adam.
De vereenzelviging van Eva met de slang is heel duidelijk te zien op het portaal van Moeder Gods in Amiens. Op dit portaal wordt ze systematisch met Maria vergeleken. Het trumeau van het portaal bestaat uit een groot beeld van Maria met Kind dat op een sokkel rust. Daarop staan zes scènes van Genesis 1-3 die van rechts naar links en van boven naar beneden gelezen moeten worden. Dit betekent dat de drie scènes van de schepping van Eva, de Zondeval en de arbeid op dezelfde zijde van de sokkel staan. Zij impliceren een causaal verband tussen wat afgebeeld werd. Hier zien we weer dat Adam en God hetzelfde gezicht hebben, terwijl Eva duidelijk anders is. Het menselijke verband met God is aan de man voorbehouden en bereikt de vrouw niet.
In de scène van de Zondeval is het meest opvallende element de slang. Dit moet een van de vroegste voorbeelden van een dracontopede, de slang met een vrouwenkop, zijn. Dit is des te belangrijker omdat dit een zeer zichtbaar werk is, iedereen die via dit portaal de Dom binnen komt ziet dit. Het is zichtbaar voor mensen op het voorplein. Deze dracontopede heeft echter het gezicht van Eva. Zoals Adam het gelaat heeft van God, zo heeft Eva dat van de duivel. De weerspiegeling van de gelaatstrekken van Eva in die van de slang zorgen voor een sterk visueel en psychologisch verband tussen de twee; een verband dat versterkt wordt door het feit dat hun hoofden dicht bij elkaar zijn, alsof ze elkaar geheimen toefluisteren. De Amiens Eva is niet zo´n bewust wulpse als sommige andere werken zoals die van Notre Dame de la Porte, Clermont- Ferrand, maar haar seksualiteit is duidelijk. De houding die ze aanneemt, hoewel niet overdreven verleidelijk, is aantrekkelijk en bemoedigend. Haar borst wordt benadrukt door de boog van haar arm en haar heupen zijn naar voren geduwd. Dit is opvallend, want Adam neemt bijna dezelfde houding aan. Hun armen maken dezelfde hoek en hun handen onder de kop van de slang vormen een symmetrische W. Eva´s houding echter laat niet alleen beweging zien maar ook instabiliteit, alsof ze net haar rechter voet omhoog getild heeft die ze straks ergens zal neerzetten. Adam staat met beide voeten op de grond, iets gespreid, in evenwicht, heupen en schouders recht. Gebrek aan standvastigheid en instabiliteit werden allang als karakteristieken van de vrouw gezienKijk bij noot 28.
Er is een tweede verleiding van Eva in het Amiens portaal Moeder Gods, op een sokkel waarop de Aankondiging aan Maria staat. Dus de boodschap van de trumeau wordt een tweede keer gegeven. Deze boodschap is echter krachtiger want we zien alleen Eva en de slang. De slang is weer een dracontopede met hetzelfde gezicht als Eva, maar haar houding weerspiegelt die van Eva en ze lijken elkaar met liefde aan te kijken en een relatie te hebben die de beschouwer, en bij implicatie iedereen, uitsluit. De rechterklauw van de draak grijpt een vrucht, terwijl ook Eva met haar rechterhand een vrucht plukt. Hun lichamen en gezichten zijn naar elkaar toegewend. Deze Eva is zonder meer sensueel, niet alleen in de zin dat ze duidelijk vrouw is, maar ook haar houding laat haar gretigheid en plezier in de zinnen zien. Ze staat wijdbeens, haar rechter been gebogen en haar linker heup naar voren geduwd. Er is hier geen Adam, maar haar houding benadrukt Eva als een sensueel en seksueel wezen. Die seksualiteit wordt ook benadrukt door twee dichtbij staande sokkels waarop demonen hun primaire seksuele organen tonen: de demonische aard van seksualiteit wordt zo duidelijk.
Deze nauwe verbondenheid van zonde, seksualiteit en vrouwelijkheid in de vorm van Eva wordt benadrukt door de tegenstelling tussen Maria en Eva in Amiens. Maria is niet alleen de Nieuwe Eva, het medium waarbij de Vleeswording en Verlossing mogelijk gemaakt wordt, degene die de deur die Eva gesloten heeft weer openmaakt, ze is ook het andere gezicht van de vrouw: ze is zuivere liefde, kuisheid en gehoorzaamheid.De topos van deur kwam vaak voor in de middeleeuwen. Bij voorbeeld Ælfric schreef “Ure ealde moder Eva us beleac heofen rices geat and seo halige Maria hit eft to us geopenode” Onze oude moeder Eva heeft de deur van de hemel voor ons gesloten, heilige Maria heeft hem voor ons geopend. Hier wordt niet de vrouwelijke ondergeschiktheid aan de zinnen tegenover de mannelijke redelijkheid gesteld, maar (vrouwelijke) seksualiteit, zonde, fysiek behagen en gebrek aan terughoudendheid staan in schril contrast met (vrouwelijke) onbaatzuchtigheid, kuisheid en grenzeloze liefde voor God en de mens. De twaalfde-eeuwse monnik, Guerric van Igny schreef dat Eva, eigenlijk de voorouder van iedereen, “meer stiefmoeder dan moeder was want ze liet haar kinderen de zekerheid van de dood na… zeker, ze werd de moeder van alle levenden genoemd, maar het blijkt dat ze de moordenares van de levenden was”.Guerric van Igny, Liturgical sermons 2:168. Geciteerd Clarissa W. Atkinson, The oldest vocation: Christian motherhood in the Middle Ages, (Ithaca en Londen 1991).
De Maria van de Amiens trumeau weerspiegelt het menselijke, dat goddelijk is gemaakt. Haar deugden zijn niet de koude en abstracte devotie van de rede, maar die van de ware moeder die voor haar kind elk lijden verdraagt en haar liefde breidt zich uit naar allen die haar Zoon lief hebben. De cultus van Maria groeide snel uit in de dertiende eeuw toen afbeeldingen van haar een nauwer en meer menselijker relatie met haar Zoon lieten zien. Die speciale relatie tussen moeder en Zoon verhoogde ook het geloof in de effectiviteit van de bemiddelende vermogens van Maria. De Amiens Maria is ook de zegevierende Maria want de draak die ze onder haar voeten vertrapt is een vervulling van de profetie in Genesis 3 dat de dochter van Eva de slang zal vertrappen: en de draak heeft het gezicht van Eva.
Conclusie
Door de eeuwen heen is een steeds nauwer verband tussen Eva en zonde te zien. Het visuele verband met de slang, de openlijke sensualiteit en seksualiteit hebben haar een inherente ondergeschiktheid aan de zinnen en de verleidingsdrang toegekend, met een ingeboren zwakte voor zonde en verleiding. Dit wordt benadrukt door de manier waarop haar schepping werd uitgebeeld. Van onafhankelijk schepsel werd ze deel van Adam en op bevel van God werd ze verwijderd uit het paradijs. Ook wanneer dit gezien kan worden als een metafoor voor het zwakke deel van ieder mens, een deel dat aan de zinnen onderhevig is, op de wereld en emoties gericht, begon het langzamerhand de visie op de vrouw te worden. Het bezwijken van Adam was Eva´s schuld en zijn nakomelingen zagen vrouwen als dezelfde soort verleiding. Hoewel er zeker verschillende redenen voor het ontstaan van de dracontopede als de verleider in de Zondeval zijn, kan het gezien worden als de culminatie van de tendens om Eva met zonde en seks te identificeren.
Jill Bradley Phd (cum laude) Cultuurwetenshappen, MA (cum laude) Cultuurwetenschappen en BA (honours) History (University of London). Sinds 2002 is ze medewerker aan het Centrum voor Promotieonderzoek, Radboud Universiteit Nijmegen, waar ze voorjaar 2008 is gepromoveerd op haar proefschrift: “You shall surely not die”: the concepts of sin and death as expressed in the manuscript art of north-western Europe c.800-1200.

