De Wind, een nieuw kunstwerk van Marinus Boezem
Door Leen Moelker
Wielrenners in Zeeland kennen en vrezen de worsteling met de uitdagende kracht van de tegenwind in de open polder. Stormen imponeren. Ook op de Zeeuwse kunstenaars maakt de wind indruk. Zij halen niet zelden via hun werk de daarbij behorende emoties terug in een gedicht, in proza, in de fotografie of in de beeldende kunst. Hiervan is het onlangs verschenen De Wind van Marinus Boezem een voorbeeld. Hoe verrassend waaien en draaien daarin de winden? Hoe past het werk in het oeuvre van de kunstenaar?
Bijna iedere dag worden wel nieuwe boeken of films op de markt gebracht. Dat is geen nieuws meer. Toch is daar soms een opvallend debuut onder, of een nieuwe aflevering binnen een serie, dan wel een krachtige of teleurstellende gedichtenbundel of roman. Het is dan ook vanzelfsprekend dat de media, de kranten, de radio of (digitale) tijdschriften aan opvallende nieuwkomers aandacht schenken. Zoals aan de Zeeuwse literaire serie Slibreeks, die kort geleden een eigenzinnig vervolg kreeg.
Oud-hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant, Andreas Oosthoek, is ook bekend als dichter. In zijn gedicht Elementen Andreas Oosthoek, De bladen terug, (Amsterdam 1987) 13. staan de natuurelementen centraal.
Ik hoor het hem nog zeggen,
mijn grootvader,
de oude wijze:
jullie mogen niet klagen,
elke dag zie je de zee.
Ja, riepen we dan, de zee
maar wat hebben we nog meer?
Nou, zei hij
en stak de brand in zijn pijp,
jullie hebben het zand,
en daar zit heel wat in
en jullie hebben de wind.
Dat is genoeg,
praat er verder maar niet over.
Niet praten over wind is echter teveel gevraagd voor wie er vol van is. Dat geldt zeker voor Marinus Boezem, beeldend kunstenaar en oud- bijzonder hoogleraar fundamentele vormgeving aan de Technische Universiteit Delft. Zijn fascinatie voor conceptuele kunst, dus voor de idee achter de kunstvorm, is in zijn oeuvre overal terug te vinden. Boezem vraagt daarmee aandacht voor nieuwe manieren van kijken en beleven, van informeren en interpreteren.
Een natuurverschijnsel als ‘de wind’ wordt zo bij hem tot een onzichtbare realiteit die indexicaal Indexicaal teken: onze representatie van een causaal verband tussen verschijnselen zoals rook/vuur, koorts/ziekte, vlaggen wapperen/windkracht, model/gebouw. Zie verder de tekst. betekenis krijgt in een vlag of windtafel. En een krachtig conventioneel teken, een weerkaart, siert soms de omslagen van zijn grafische werk om ons te herinneren aan de vergankelijkheid van de tijd, ruimte en plaats. Dit is ook het geval bij Slibreeks No.131, De Wind.
Een tot kwartoformaat terug gevouwen omslag van 48,2 x 38,5 cm is van buiten bedrukt met een weerkaart waarop de weersituatie van 26 september 1968 te zien is. De kaart bestrijkt Europa en de Atlantische Oceaan. De afbeelding is ontleend aan een vlag met dezelfde weerkaart die gemaakt is voor een project in Genève, namelijk Untitled 1986. De zee is blauw gekleurd en het land groen. Daarboven zijn isobaren te zien en andere internationaal gebruikte meteorologische annotaties. Op de omslag staat de titel De Wind. In het vouwblad zit een klein ingenaaid boekje (19,3 x 13,5 cm) bestaande uit twaalf ongenummerde pagina’s. Het is gemaakt van een hoogwaardige papiersoort zodat van elke pagina de papierklank is te horen. Na het titelblad De Wind 1968 staan achtereenvolgens per bladzijde de kenmerken afgedrukt van een windkracht volgens de WINDSCHAAL VAN BEAUFORT DIE ALS READY MADE door de auteur OMGEDOOPT IS TOT Windschaal VAN BEAUFORT 1968. Daaronder ook nog een korte beschrijving van de bijbehorende zichtbare gevolgen ervan in de natuur. Tussen de omslag is een compact disc gestoken met de titel Windsculpture. Een weerkaart prijkt op de disc waarop verder negen geluidsfragmenten zijn te horen die corresponderen met de beschrijvingen van een windkracht in het boekje. De geluiden zijn onder technisch gecontroleerde condities opgenomen in een woestijn, op een prairie, in een dennenbos en in gebieden waar winden karakteristieke kenmerken vertonen. Deze geluiden vallen onder het auteursrecht.
De Wind is verschenen in de literaire serie Slibreeks. Daaraan hebben sinds 1977 vele hedendaagse Nederlandse en buitenlandse dichters, schrijvers en beeldend kunstenaars bijgedragen.i http://www.antiqbook.info/nl/verzamelen/series/slibreeks.phtml
De Wind laat zich eerder ervaren dan lezen. Drie vroeger gemaakte kunstwerken van Marinus Boezem vormen de basis van dit kleinood. Het zijn Weerkaart, donderdag 26 september 1968, Windschaal VAN BEAUFORT 1968 en Untitled 1986. Het eerste is een in 1968 gesigneerde kopie van de echte weerkaart. Daarmee correspondeerde een kopie van Windschaal van Beaufort 1968 met daarop de tekst: “Boezem, Medium for the furtherance of renewed experiences.” Samen riepen ze vragen op over de gevolgen van de zich versnellende communicatiestromen voor de menselijke ervaringen. Voor de interpretatie van De Wind is het van belang, dat Windschaal VAN BEAUFORT 1968 in 1984 werd herhaald in Stereofonische Schetsen. De omroepster Noortje van Oostveen las de teksten van de windschaal voor. Boezem: “Geluid in mijn werk vormt een component van de sculptuur. Het voegt er een fysieke tijd en ruimte aan toe.” Edna van Duyn en Fransjozef Witteveen, Boezem (Bussum 1999) 376. In 1986 verzocht Hendel Teicher van het Musée d’Art et d’Histoire te Genève aan Marinus Boezem en anderen een ontwerp voor een vlag in te dienen. Het resultaat was Untitled 1986.
Deze drie elementen – weerkaart, windschaal en vlag – zijn de bronnen voor De Wind geworden. Ze doen een appèl op de werking van de menselijke zintuigen zien, horen en voelen. Die zintuiglijke waarneming versterkt de ervaringen van iets nieuws. Kijk eens, luister eens, voel eens en merk op dat de gewone dingen, een weerkaart, het geluid van de wind, papierklank, zeer bijzonder zijn.
Neem de weerkaart op de vlag.
Fig.1 Marinus Boezem, Untitled 1986, 1986, polyester, 250 x 365 cm
(Atelier MB en Musée d’Art et d’Histoire, Genève)
Foto: Auteur met toestemming MB.
Daarop is slechts één kortstondig moment van het universum vastgelegd. Direct daarna zijn de omstandigheden al weer gewijzigd. Het is een voorbij ogenblik van een onzichtbaar deel van de werkelijkheid. Zoals dat ook in het gedicht Chrysanten van Hans Favery wordt verbeeld, dat de dichter F. van Dixhoorn bij de presentatie van De Wind in Middelburg voorlas:
........
De wind die je zo hindert
en je haar door de war maakt,
dat is de wind die je haar verwart;
het is de wind waardoor je niet
meer gehinderd wilt worden
als je haar in de war is.
Of neem de windschaal.
Fig. 2 Marinus Boezem, Lichtbak met Schaal van Beaufort,
1968, glas, hout, tl-buis, 82 x 65 x 16 cm (Atelier MB).
Foto: Auteur met toestemming MB.
Het is een hulpmiddel bij het beschrijven van een onbeheersbare kracht in de atmosfeer en de door mensen waarneembare effecten ervan. Zo tracht de mens controle te krijgen op de ongrijpbare natuur. Wie in De Wind 1968 tegelijk leest over de wind en luistert naar het donderende geraas ervan, ervaart het menselijk onvermogen paal en perk te stellen aan die werkelijkheid.
Hierover zegt Edna van Duyn dat Boezem zich met deze hulpmiddelen de wereld toeëigent. Hij annexeert de aardse en hemelse sferen door middel van aan de dagelijkse praktijk ontleende attributen.Edna van Duyn en Fransjozef Witteveen, Boezem (Bussum 1999) 41. In De Wind 1968 is de onhoorbare wind van de laagste schaalwaarden toch waarneembaar door de bladzijden van het bijbehorende boekje te beroeren. Dankzij de papierklank wordt op die manier een ervaring toegevoegd aan de tekst van De Wind 1968. Optische en tactiele waarnemingen gaan hand in hand in dit kunstwerkje om de beschouwer te laten oordelen over natuur en cultuur, over verschijnen en verdwijnen, over fantasie en werkelijkheid. De functie van de omslag is daarbij aanvullend van karakter. Zo dient de afbeelding van de vlag Untitled 1986 daarop – bijna twintig jaar later ontstaan dan de Weerkaart, donderdag 26 september 1968 – om te verwijzen naar het thema van dat boekje, ‘de wind.’ Untiteld 1986 herhaalt hier in een andere context zijn functie om plaats, tijd en ruimte te problematiseren. Wanneer de vlag uitwaaiert in de wind, krijgen de druksystemen en isobaren op de vlag andere posities. In een razend tempo wisselt de waargenomen werkelijkheid en dit kan worden opgevat als een metafoor voor wat er zich in de wereld van de feiten voltrekt.
De beeldend kunstenaar Marinus Boezem
Marinus Lambertus Boezem werd geboren op 28 januari 1934 in Leerdam. Volgde onder andere de Vrije Academie Artibus in Utrecht. Hij is gehuwd met Maria-Rosa Busato. In 1968 werd hun dochter Natasja geboren (inmiddels ook beeldend kunstenaar). ZIJN EERSTE CONCEPTUELE TENTOONSTELLING WAS DE Tentoonstelling van de Asperse polder, zomer 1960. Hiermee gaf hij zijn visitekaartje af als kunstenaar die een soort copernicaanse wending wilde doorvoeren. Want een stuk bestaande natuur, een verkavelde polder, werd hier tot kunstwerk gemaakt, tot een nieuw beeld van de werkelijkheid.
Met zijn Shows Shows zijn hier tekeningen of ontwerpen van installaties die in een tentoonstellingsruimte konden worden gerealiseerd. Deze concepten riepen discussie op over de tijds- en ruimteaspecten van de kunst. Over de vorm en inhoud van kunstobjecten en hun fysieke plaats. probeerde Boezem in de jaren 1964 tot 1969 als een vertegenwoordiger zijn concepten te verkopen aan galerieën en musea. Zo werkte hij in de lijn van de leden van het genootschap NUL, Armando, Henk Peeters, Jan Hendrikse en Jan Schoonhoven, die als eigentijdse handelsreizigers zaken als het volkslied of een Duitse brug ‘verkochten.’Kees Schuyt en Ed Taverne, 1950, Welvaart in Zwart Wit (Den Haag 2000) 488. Boezems artistieke ontwikkeling kreeg bekendheid door luchtplastieken en sculpturen van stapels gekleurde autobanden. De wereld is de bron van kunst en vol ideeën om bestaande vormen anders, nieuw te kunnen duiden In 1968 rijpte zulk een idee rondom een weerkaart van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut.Edna van Duyn en Fransjozef Witteveen, Boezem (Bussum 1999) 21. Opeengepakte isobaren (veel wind), druksystemen, koude- en warmtefronten en occlusies verwijzen op de weerkaart naar een kortstondige natuurlijke sculptuur in de werkelijkheid. Door de weerkaart van donderdag 26 september 1968 te signeren en als een kunstobject aan kunstvrienden uit de gehele wereld te verspreiden, vroeg Boezem aandacht voor de groeiende verschraling en vervlakking in de menselijke communicatie. Nieuwe ideeën en concepten in de kunst kunnen zo de samenleving voorgaan in ontregeling van vastgeroeste waarden. De vooruitgang is gediend met het verleggen van grenzen en openen van nieuwe perspectieven.
Boezem vestigde zich in 1974 in Middelburg en WERD DAAR BENOEMD TOT DIRECTEUR VAN HET INSTITUUT VOOR KUNSTZINNIGE VORMING. LATER VOLGDE EEN korte loopbaan ALS HOOGLERAAR aan de Technische Universiteit Delft. En passant experimenteerde hij met objecten om de ruimte te verbeelden door middel van spiegels, modellen, cliché’s. Het zwarte vlak wordt verkend als het einde van de voorstelling maar ook als een spel met complementaire kleuren. Anders dan bij Malevich in 1915 ( het zwarte vierkant als het idee van het einde van alle vormen) was bij Boezem het zwarte vierkant een opening naar de toekomst.
In deze na-oorlogse periode zochten ook Franse kunstenaars als Yves Klein en Jean Tinguely naar nieuwe uitdrukkingsvormen. Zij verklaarden als Nouveau Réalistes het lijstschilderij als passé. Conventionele clichés moesten wijken voor vrije vormen en spiritualisme.Gottlieb Leinz, Moderne Kunst zien en begrijpen (2e druk Weert 1987/89) 293-300. Het is dan ook voorstelbaar dat zij voor Marinus Boezem, een tijdgenoot, een belangrijke inspiratiebron waren. Marinus Boezem wilde en wil nog steeds geen wereldvreemde kunst maken. Dat standpunt deelde hij al met de Fluxuskunstenaars als Wim T. Schippers en Joseph Beuys die in 1963 de traditionele kunstinstellingen als te verheven instituten de oorlog verklaarden. Zij provoceerden de grenzen tussen kunst en leven en namen kunst, wetenschap en politiek in hun kunstbegrip op als elkaar aanvullende – niet uitsluitende – culturele fenomenen. Communicatiemiddelen zijn belangrijk bij de informatieoverdracht. In de kunst wordt in de jaren zestig de ruimte opgezocht omdat het platte vlak te beperkt is als uitdrukkingskader. Lucio Fontana en Piero Manzoni forceren letterlijk het klassieke raamwerk door er openingen in te maken of de wereld op een sokkel te zetten.Lucio Fontana, Concetto Spaziale, 1963/64, Goud op doek, 80 x 64 cm (Rome, Marlborough Galleria). Piero Manzoni, Socle du monde, ijzer en brons, 82 x 100 x 100 cm (Herning Kunstmuseum Jutland). Tijdgenoot Marinus Boezem deed daarin volop mee. Zoals in 1969 toen hij zelfs de hemel aanwees als beeldend materiaal. Een vliegtuig boven Amsterdam schreef met condensstrepen BOEZEM in de lucht. Zo werd de beschouwer erop gewezen dat kunst niet gebonden is aan het atelier of museum. Kunst kan ook tijdelijk of vergankelijk zijn als de vorm ondergeschikt wordt gemaakt aan een theoretisch denkbeeld of een intellectueel concept.Leinz, Moderne Kunst, 299. Dan wordt een nieuwe relatie gelegd tussen dichotomieën als natuur en cultuur, tussen verschijnen en verdwijnen, geboren worden en sterven. Kunst maken is een dynamisch proces dat zich afpeelt tussen de uitersten van vernieuwing en traditie. Deze ideeën vormden de motor achter twee tentoonstellingen namelijk Op Losse Schroeven (1969) en When attitudes become form; Live in your head (1969) waaraan naast Boezem ook Mario Merz,Mario Merz, Igloo di Giap, steen, metaal, glas met neontekst, Ø 200cm x 100, (Centre Pompidou, Parijs) De neontekst is een citaat van de Noord-Vietnamese generaal Giap: “Een generaal die zijn troepen samentrekt verliest grondgebied, en die ze verspreidt verliest kracht.” EN ANDERE CONCEPTUALISTEN deelnamen.
Toen Boezem voor een studieproject in zijn Delftse periode (1978-1984) de Maria Magadalena Kerk in Goes had gefilmd, wist hij het zeker. De gotische kathedraal zou als herkenningspunt in de geschiedenis zijn kunstbegrip verder vormen. Want vanuit het platte vlak reiken de muren, de pijlers en de driepasvensters van een kathedraal naar omhoog. Zo wordt de blik van de beschouwer gericht naar ijle hoogten, naar een metafysische wereld. Boezem werkte het idee, dat een gotische kathedraal tijd, ruimte en een beschavingspeil belichaamt, in verschillende hedendaagse projecten uit. De basisgedachte was om vanuit de platte aarde de ruimte erboven in de vrije natuur in te richten. In DE TACHTIGER JAREN ontving Boezem de opdracht om in Almere de Het Gotisch Groeiproject te realiseren. http://cultuurgids.avro.nl/front/detailkunstuur.html?item=0314a47abc69fac51013e393e70fe5f8 De kern hiervan was een cliché, namelijk de plattegrond van de kathedraal van Reims die bekend is als prototype van gotische architectuur en koninklijke graftombes. Vanuit een plattegrond met natuursteen en schelpen rijzen snelgroeiende Italiaanse populieren op die in de zomer rustgevend ritselen. In 1997 realiseerde hij een Reims-variant voor Koningin Beatrix in het Project Kroondomein Het Loo. Al daar bestaat de kathedraal uit bronzen boomstronken van 100 cm hoogte op de plaats van de pijlers.
Fig.3 Marinus Boezem, Untitled 1996-1999, 1996/99, hout en brons. Origineel
40 bronzen afgietsels 100 x 50 x Ø100 cm, 125 x 35 m in Kroondomeinen Het Loo.
Foto: Auteur, met toestemming MB.
DE BOOMSTRONKEN ZIJN AAN DE BOVENZIJDE SPIEGELGLAD GEPOLIJST ZODAT ZE HET LICHT WEERKAATSEN. HET MATERIAAL VERWIJST NAAR DUURZAAMHEID EN NAAR KLASSIEKE UITSTRALING. Het brons KAN OOK DIENEN ALS een verwijzing naar het materiaal waaruit de koninklijke wapenuitrusting en ruiterstandbeelden ooit waren gemaakt.
Het is duidelijk dat het gebruik van plattegronden, sterrenkaarten en weerkaarten als idee achter een kunstobject zeer origineel is. Die schema’s vereenvoudigen het begrijpen van het onbegrijpelijke. Ze verwijzen niet zomaar naar een willekeurige realiteit maar naar een feitelijke structuur in de werkelijkheid. Een kunstwerk als het Project Kroondomein Het Loo is niet een verwijzing naar een willekeurige kathedraal, maar kan als een indexicaal teken alleen verbonden worden met de kathedraal van Reims, de eerste onder zijn gelijken. Zo tracht Marinus Boezem de beschouwer een model aan te reiken voor een nieuw betekenisproces waarmee de gewone dingen in de wereld bijzonder kunnen worden. De kunstenaar experimenteerde daarbij volop met de tijd en ruimte. Zo ook in The leaning wing and the birds (1981) bijvoorbeeld. Daarin wordt een cultuurproces omgekeerd. Een monochroom lijstschilderij als object van ruimte en tijd, is verbonden met een tijdelijke sculptuur. Het werk eindigt echter conceptueel in het door duiven in de ruimte weggevoerde deel (duivenvoer) van de sculptuur.
Fig. 4 Marinus Boezem, The leaning wing and the birds,
1981, olieverf op doek, acryl, fluweel, aluminium, duivenvoer,
350 x 350 x 250cm, (Atelier MB)
Foto: Auteur met toestemming MB
Het geheel samenvattend blijkt dat Marinus Boezem bestaande modellen en cliché’s inzet als het idee achter een kunstwerk. Kunstwerken kunnen zo voor de beschouwer indexicale tekens worden en daardoor het betekenisproces krachtig stimuleren. Boezem exploreert de ruimte, tijd en plaats van de werkelijkheid. Die werkelijkheid doet zich als een vergankelijk verschijnsel voor. Net zoals rook en vuur in hun samenhang indexicale tekens kunnen zijn, zo kunnen bij Boezem gewone zaken, een weerkaart, een sterrenkaart, een compact disc in een andere context geplaatst, zomaar gaan functioneren als kunstwerken met een betekenis.
De vraag was hoe Marinus Boezem met de alledaagse ervaring van de wind omgaat in zijn jongste kunstwerk. De Wind blijkt gebaseerd te zijn op drie vroegere werken en is in een eigentijdse vorm gegoten. De Wind past goed in de literaire serie Slibreeks omdat het evenals literatuur een deel van de werkelijkheid herhaalt, zij het met verschil. Het is aan de beschouwer om met behulp van het kunstwerk daaraan, aan dat verschil, al luisterend, aanschouwend en tastende betekenis te geven. Dat kan tot stand komen door een andere representatie van een weerkaart, een windschaal en een windsculptuur. In ervaringen als het onheilspellende gebulder van een orkaanwind of het zachte suizen van de wind in het bos, klinkt zowel herkenning als vervreemding mee. De onverflauwd energieke Marinus Boezem dwingt de gebruiker van De Wind tot nadenken over een verschijnsel dat zo gewoon lijkt maar toch zo bijzonder is. De intertekstualiteit tussen “Jullie hebben de wind” uit OOSTHOEKS Elementen en Boezems De Wind 1968, BEPAALT ONS BIJ het tijdloze karakter van de wind. Boezem brengt dat karakter op een unieke wijze opnieuw onder de aandacht.
Leen Moelker volgde het bachelorprogramma Algemene Cultuurwetenschappen. In aansluiting daarop houdt hij zich bezig met de locale Zeeuwse cultuurgeschiedenis. Ook oriënteert hij zich vanuit cultuurwetenschappelijk oogpunt op museale kunstcollecties en architectuur in de wereld.

