Tweehonderd jaar mode- en kostuumgeschiedenis
Door Leen Moelker
zie ook: Monique van Heist experimenteert met museumcollectie
Volgens Norbert Elias was het hofleven in de middeleeuwen richtinggevend voor de mode uit die tijd. Lagere standen imiteerden, hogere standen distantieerden. In de Republiek oefenden de Franse en de Spaanse kleedstijlen hun invloed op de mode uit. Pierre Bourdieu vond dat de sociale rangorde bepaald werd door de geboorte en later, in de negentiende eeuw, door het bezit aan stoffelijk en sociaal kapitaal. Aan het begin van de negentiende eeuw was kleding een sterk onderscheidend medium tussen bijvoorbeeld de elite, burgers, boeren, landarbeiders, huishoudpersoneel en vissers. Op het platteland was streekdracht dominant terwijl de stad eigen kledingcodes had.Kitty de Leeuw, Kleding in Nederland 1813-1920 (Hilversum 1993) 138.
Omstreeks 1850 ging in Europa de Industriële revolutie gepaard met rationalisaties in het arbeidsproces en uitvindingen zoals die van Elias Howe (naaimachine 1846) en van Marc Brunel (breimachine Paget vervolmaakte die in 1844). Singer maakte de huishoudnaaimachine populair. Kleding werd gemaakt door de kleermakers en de (thuis)naaisters.Die maakten kleding op bestelling. In verloren uren legde men een bescheiden voorraad kleding aan in standaard maten. Dit is te zien als het begin van de confectie-industrie. De productietijd versnelde enorm na 1850 door de naaimachine die 650 steken per minuut haalde tegenover een naaister 23! De modernisering in de kledingproductie viel samen met een verandering in de distributieketen. Van maatwerk op bestelling (pull-systeem) ging men over tot het actief verkopen van kleding (push-systeem). De standaardisering van de productie (confectie) betrof vooral arbeiders- en kinderkleding die eenvoudig van patroon was. Maatwerk bleef een aangelegenheid voor de elite. Deze kreeg een enorme impuls door de al eerder genoemde William Worth, die in Parijs de haute couture tot richtsnoer in de mode maakte. Mode ging een belangrijke rol spelen in de standsverheffing. De sociale stratificatie (hoog, midden, laag) is af te lezen aan de kledingcodes ( tournurejapon, de crinoline, beroepskleding).Crinoline is een koepelvormige onderrok, verstevigd met ijzerdraad en baleinen. Ook de naam voor de bedekkende japon of bovenrok. Het betreft een ‘moderne’ versie van de achttiende eeuwse hoepelrok. Op zijn beurt is deze weer tijdelijk in de creaties vanaf 1930 overgenomen. Werd binnen de hoge en middengroep gedragen. Pas in 1880 bereikte deze moderniseringsgolf Nederland en sloeg de confectie-industrie zijn vleugels uit ten koste van het maatwerk. Maar de haute couture bleef haar eigen elitemarkt bedienen.Volgens Kitty de Leeuw zijn die veranderingen te verklaren vanuit het moderniseringsprincipe. Dit beginsel bestaat uit
- Rationalisering (specialisatie, arbeidsverdeling in fabrieksmatige productie eenheden, reclame, moedexposities);
- Generalisering (standaardproducten ten koste van standsgebonden kleding en klederdracht);
- Differentiëring (specialisatie naar type en kledinggroep);
- Individualisering ( van representatie namens de groep naar presentatie van het ‘zelf’);
- Urbanisatie (concentratie van werk en wonen in de stad, streekdracht wordt afgelegd);
- Secularisering (dringt ook in geïsoleerde gebieden door met gevolgen voor streekdracht);
- Democratisering (sociale mobiliteit mogelijk, emancipatie van vrouwen via sport).
Na 1900 was het verschil tussen stad en platteland praktisch overbrugd en was de streekdracht nog maar in bepaalde gebieden ‘in de mode.’ Oost Zeeuws Vlaanderen, Walcheren Jan Toorop, Gebed voor de maaltijd , 1907, olieverf op karton, 74 x 100 cm (Zeeuws Museum, Middelburg) Hierop is een meisje in Walcherse dracht te zien. Walcheren heeft de streekdracht lang gekoesterd. , Zuid-Beveland, Volendam, Marken, Urk, Staphorst en Huizen probeerden daarentegen de regionale identiteit te versterken. Kitty de Leeuw, Kleding in Nederland 1813-1920 (Hilversum 1993) 323. Internationaal was na 1900 het Edwardiaanse mode-ideaal leidend met aspecten als de S-curve en de Gibson-girlstyle. Paul Poiret vernieuwde die mode omstreeks 1915, door het korset af te danken en harembroeken of de lampekaptuniek ‘voor te schrijven.’Amy de la Haye, Mode Bronnenboek (Fashion Sourcebook) (Houten 1989). In 1920 was confectiekleding algemeen maar maatwerk was nog steeds statusbepalend. De streekdracht werd nu ook in de behoudende gebieden stelselmatig vervangen door ‘op zijn burgers’ te gaan. Coco Chanel en Jean Pateau introduceerden omstreeks 1925 de ‘garçonne-lijn, een jongensachtige stijl met cloches en korte rok tot boven de knie en een lage taille. Een ware revolutie werd in modeland ontketend toen de rayon- of kunstzijde in 1926 op de markt kwam en toegepast ging worden in de japonproductie. Na 1930 werden filmsterren rolmodellen voor de mode-industrie (Marlene Dietrich, Joan Crawford) en werd de invloed van de Parijse haute couture kleiner. Coco Chanel moest in 1939 haar deuren sluiten. Toch is er een terugkeer naar oudere tijden door de heropname van de crinoline in de mode (Vionnet, Hartnell) en andere Victoriaanse invloeden (Fig.1). In de oorlog 1940-1945 was soberheid troef maar dat veranderde toen Christian Dior in 1947 met zijn ‘ligne carolle’ ofwel de New Look aan de markt kwam. Deze stijl met wijd vallende rok, smalle taille en schouders deed denken aan de mode van voor de oorlog. De kokerrok bleef echter populair. In de vijftiger jaren kwam nylon op de markt. Kousen, ondergoed, truien werden nu ook gemaakt van gemakkelijk wasbare synthetische vezels. Diors assistent/opvolger Yve Saint Laurent kwam met de hemdjurk in 1975 die lang populair is gebleven. Coco Chanel deed van zich spreken door haar beroemd geworden klassieke Chanel-pakje. Maar de eigenlijke modetrend werd aangegeven door filmsterren als Marilyn Monroe en Jayne Mansfield. Zij waren voor het grote publiek toch de rolmodellen, vooral in de mode voor de opkomende tienermarkt. Vanaf 1960 waren er democratiserende correcties in de maatschappij. De mode flankeerde die ontwikkeling met bijvoorbeeld de creaties van Mary Quant (minirok), Barbara Hulanicki (postorderkleding BIBA) en Pierre Cardin (unisexkleding). De haute couture probeerde aansluiting te houden door de prêt-à-portermodellen te lanceren (Yves Saint Laurent). De boetiek werd het nieuwe verkoopkanaal voor jongeren. Na 1970 kwam denim (spijkerbroek) in de mode maar echt baanbrekend was de beweging PUNK. Vivienne Westwood en partner McLaren van de Sex Pistols en Paul Gaulthier gingen punkkleding maken voor welgestelde punkers en studenten. Milaan werd modehoofdstad en verdrong Parijs, hoewel deze stad voor de mode onmisbaar bleef. Zandra Rhodes bracht nog wel punk in de haute couture, maar de ontwerper van de confectiekleding van Giorgio Armani ging na 1975 de modewereld overheersen. Vanaf 1980 kwamen Japanse ontwerpers naar Parijs. Zij gingen het modebeeld medebepalen. Rei Kuwakubo (1942) werkte vanaf die tijd onder de naam Comme des Garçons in een experimenteerstijl (zakken ondersteboven, bochels)die haar grote prijzen opleverde. Wederom was het Vivienne Westwood die shockeerde met haar ontwerpen als mini-crini (weer een heropname van de crinoline) die nu de Engelse kostuumgeschiedenis reflecteerden. Karl Lagerfeld, directeur bij Chanel, deed hetzelfde met het Chanel-pakje. Ook Lacroix waagde zich aan de minicrini. De jaren negentig en latere kenmerkten zich door de hang naar de traditionele cultuur. De mode werd niet langer door het westen bepaald maar een impuls tot vernieuwing kon nu overal vandaan komen. Dat vestigde de aandacht op de locale en regionale mode die zomaar internationaal kon worden.
De confectie-industrie en de ‘straat’ hadden vanaf 1960 een enorme invloed op de creaties weten te ontwikkelen. Nu werd het tijd voor kleinschalig handwerk en kwaliteitsontwerpen gebaseerd op authenticiteit en couleur locale. In Nederland werden Victor Horsting en Rolf Snoeren succesvol met hun visie op de mode (mode is een sprookje). Zij braken internationaal door. Nederlandse ontwerpers staan nu naast de Franse, de Engelse, Italiaanse en de Japanse collega‘s op het internationale podium. Mede door de ontwikkeling van synthetische kleurstoffen zijn er geen grenzen meer voor de creatieve modewereld. Dat is gunstig voor de ontwikkeling in de mode want kleding heeft nog steeds een façadefunctie en een utiliteitsfunctie.
Ontwerpers met een oog voor de streekdracht ( uit India, China, Java, Guatemala, Kenia, Nederland enz.) kunnen nu eindeloos variëren met modellen, stoffen en kleuren (Fig.2). Daardoor kan een regionale identiteit in een wereldomvattend modebeeld worden opgenomen. Kán, want de kleur en fleur ervan moet de hoofdstroom in de mode van de internationale gemeenschap aanspreken, en dat gebeurt nu eenmaal niet zomaar.
Lidewij Corstiaans, Bescheiden Parade, 2008, spencer, wol, satijn, zijde, glas. Geïnspireerd door spencers van vissers uit Arnemuiden. (Collectie Zeeuws Museum).
Foto: Ada Markusse, 11 juni 2010
Leen Moelker volgde het bachelorprogramma Algemene Cultuurwetenschappen. In aansluiting daarop houdt hij zich bezig met de locale Zeeuwse cultuurgeschiedenis. Ook oriënteert hij zich vanuit cultuurwetenschappelijk oogpunt op museale kunstcollecties en architectuur in de wereld.

